Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/051905-26
Datum uitspraak: 28 augustus 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1980 te [geboorteland] ,
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 22 mei 2026 (pro forma) en 14 augustus 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.G.M. Oostrom en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R. van den Boogert naar voren is gebracht.
De aangeefster, [aangeefster] , en haar raadsvrouw, mr. L.E. König, zijn eveneens ter terechtzitting verschenen.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij, op of omstreeks 16 februari 2026 te ’s-Gravenzande, binnen de gemeente Westland, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de weg, de Nieuwelaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te handelen als volgt:
- verdachte is in strijd met artikel 62 van het RVV 1990 en/of bord C2 van de bijlage RVV 1990, zonder ontheffing, de (voor het openbaar verkeer) voor zijn, verdachtes, rijrichting afgesloten Nieuwelaan opgereden,
- is (daarbij) de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer opgereden,
- is (vervolgens) tussen/langs geleidebakens doorgereden, waarbij hij over een afgesloten rijstrook is gaan rijden,
- heeft (daarbij) zijn aandacht niet voortdurend en/of voldoende op de weg en/of de zich aldaar bevindende verkeersdeelnemers gehad en/of gehouden,
- heeft een zich aldaar in dezelfde voor hem, verdachtes, (rij)rijchting bevindende voetganger (te weten [aangeefster] ) niet tijdig opgemerkt en/of
- heeft zijn voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was,
ten gevolge waarvan hij met het door hem bestuurde voertuig in botsing/aanrijding met
vooroemde voetganger is gekomen, waardoor een ander (genaamd [aangeefster] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer):
- een of meerdere gescheurde nekwervels en/of
- een of meerdere gebroken ribben en/of
- een longkneuzing,
of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
2
dat hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in ’s-Gravenzande, binnen de gemeente Westland, althans in Nederland op/aan de Nieuwelaan, op of omstreeks 16 februari 2026, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [aangeefster] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.
3. De bewijsbeslissing
Inleiding
De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.
Op 16 februari 2026 heeft er op de Nieuwelaan te ’s-Gravenzande een verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij de verdachte en [aangeefster] (hierna: [aangeefster] ) betrokken waren. De verdachte reed in een auto, een Mini Cooper met kenteken [kenteken] , en [aangeefster] maakte als hardloopster gebruik van de weg. Zij droeg ter verbetering van haar zichtbaarheid een lampje om haar arm. De Nieuwelaan betreft een tweebaansweg met één rijstrook in beide richtingen. Op de Nieuwelaan was de verkeerssituatie tijdelijk gewijzigd vanwege wegwerkzaamheden. Het fietspad was afgesloten, waardoor voetgangers verplicht waren om gebruik te maken van de rijstrook. De betreffende rijstrook was afgesloten voor automobilisten, dit was aangegeven met bord C2 (verboden in te rijden) dat op een schrikhek was geplaatst.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het verbodsbord heeft gezien en dat hij zich er bewust van was dat de Nieuwelaan in zijn rijrichting was afgesloten. De verdachte heeft ervoor gekozen om gebruik te maken van de rijbaan voor tegemoetkomend verkeer, dus door tegen het verkeer in te rijden. Dit wordt ondersteund door de verkeersongevallen analyse. Op enig moment is de verdachte uitgeweken naar de voor hem afgesloten rijbaan en heeft hier [aangeefster] van achteren geraakt. De verdachte heeft later verklaard dat hij dacht dat hij een dier had geraakt maar is toch, zonder zich te vergewissen over de gevolgen van het ongeval, verder gereden.
[aangeefster] is kort na het ongeval in de berm gevonden door een voorbijganger en is hierop met een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Hier is vastgesteld dat zij onder andere het volgende letsel heeft opgelopen als gevolg van de aanrijding:
Afscheuringsbreuken aan de voorzijde van de wervellichamen van de 3e en 5e halswervels
Ribbreuken in de 9e tot en met de 11e rib aan de rechterzijde
Longkneuzingen in twee kwabben van de rechterlong
Longkneuzing in de onderkwab van de linkerlong.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat sprake is van roekeloosheid en dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij [aangeefster] .
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het bestanddeel roekeloosheid. De verdediging heeft verder geen standpunt(en) ingenomen.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met de nummers PL1500-2026057298 en PL1500-2026054422, van de politie-eenheid Den Haag, district Den Haag – Centrum, met bijlagen, namelijk het Einddossier (deels ongenummerd en om die reden wordt verwezen naar de paginanummers van het pdf-bestand, te weten pagina 1 t/m 204).
Ten aanzien van de feiten 1 en 2
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt op 19 februari, voor zover inhoudende (p. 88):
AangeverAchternaam: [achternaam]Voornamen: [voornamen]
Op 16 februari 2026 werd ik op de Nieuwelaan te 's-Gravenzande, aangereden door een personenauto. Na de aanrijding reed de bestuurder van deze personenauto door en verliet de plaats van het ongeval zonder zijn/haar identiteit bekend te maken en zonder mij hulp te verlenen, terwijl ik in een hulpeloze toestand verkeerde.
2. Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster [aangeefster] , opgemaakt op 19 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 83-86):
Ik ging hardlopen. Op enig moment kwam ik bij een gedeelte waar het fietspad was afgesloten in verband met wegwerkzaamheden. Ik zag een verbodsbord en een omleiding, waarbij fietsers en voetgangers over de rijbaan werden geleid. Ik ben vervolgens de rijbaan opgegaan om de omleiding te volgen. Ik besloot aan de rechterzijde van de rijbaan te lopen, zodat fietsers mij konden passeren. Tevens had ik mijn armlampje om mijn linkerarm bevestigd, waardoor ik dacht dat ik op deze wijze het beste zichtbaar zou zijn voor achteropkomend verkeer. Toen ik mij nabij het einde van de omleiding bevond en bijna weer het fietspad kon betreden, keek ik, terwijl ik aan het rennen was, over mijn linkerschouder naar achteren. Op dat moment zag ik de koplampen van een voertuig achter mij. Vervolgens kan ik mij alleen nog herinneren dat ik op de grond lag.
3. Het proces-verbaal van aanrijding misdrijf, opgemaakt op 19 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 16-17):
Op 16 februari 2026 omstreeks 19.00 uur vond er op de Nieuwe Laan te 's-Gravenzande een verkeersongeval plaats tussen een personenauto en een hardloper. De Nieuwe Laan is een openbare weg van de gemeente ’s-Gravenzande. De weg bestaat aldaar uit één rijbaan waarbij er per rijrichting één rijstrook beschikbaar is. Rechts bevindt zich een vrijliggend fietspad. In verband met wegwerkzaamheden was het voornoemde fietspad afgesloten. Verkeersdeelnemers welke waren toegewezen tot gebruik van het fietspad werden middels een schrikhek waarop bord Cl6 (verboden voor voetgangers) en bord D2 (verplichte rijrichting links) verwezen naar de rijbaan. Verkeersdeelnemers welke waren toegewezen tot het gebruik van de hiervoor genoemde rijstrook werden middels een schrikhek waarop bord C2 (verboden in te rijden) erop gewezen dat de voor hun bestemde rijstrook was afgesloten. Vanaf het begin van de afsluiting tot aan de N220 stonden zogenoemde schutborden (voorzien van diagonale rode en witte reflecterende strepen). Bij het verkeersongeval waren twee partijen betrokken: [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2002 en [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1980. [aangeefster] liep als hardloopster/voetganger over het voornoemde fietspad, komende uit de richting van de Haakweg en gaande in de richting van de N220. Zij droeg ter verbetering van haar zichtbaarheid een lampje om haar linkerarm. [verdachte] reed in een motorrijtuig, zijnde een personenauto over de Haakweg en was gaande in de richting van de N220. Ter hoogte van de wegwerkzaamheden werd [aangeefster] gedwongen om gebruik te maken van de voor fiets- en voetgangers afgezette rijstrook van de rijbaan van de Nieuwe Laan. [verdachte] negeerde de voor hem geldende geslotenverklaring. Ter hoogte van pandnummer [nummer] reed [verdachte] met zijn Mini Cooper op de rijbaan welke was afgesloten voor automobilisten. Hierbij reed hij [aangeefster] van achteren aan en liet haar achter zonder zijn gegevens behoorlijk ter inzage aan te bieden of zich te bekommeren om de gezondheid van [aangeefster] .
4. Het geschrift, te weten een letselbeschrijving van [aangeefster] , opgemaakt en ondertekend door forensisch arts S. Werkhoven op 27 maart 2026 voor zover inhoudende (p. 197-198): Medische gegevens van [aangeefster] .
De informatie is verstrekt door: HMC Westeinde, afdeling Spoedeisende hulp en afdeling Traumachirurgie.
Op 16 februari 2026 werd betrokkene opgevangen op de spoedeisende hulp. Daar werd vastgesteld:
- afscheuringsbreuken aan de voorzijde van de wervellichamen van de 3e en 5e halswervels. Deze werden behandeld met stabilisatie met een harde halskraag. Genezingsduur 6 tot 12 weken;
- ribbreuken in de 9e tot en met de 11e rib aan de rechterzijde. Genezingsduur 6 weken. Met de noodzaak tot longfysiotherapie en pijnstilling;
- longkneuzingen in twee kwabben van de rechterlong. De kneuzingen werden behandeld met een opname op de traumachirurgie, longfysiotherapie en adequate pijnstilling. Genezingsduur 6 weken;
- longkneuzing in de onderkwab van de linkerlong. De kneuzingen werden behandeld met een opname op de traumachirurgie, longfysiotherapie en adequate pijnstilling. Genezingsduur 6 weken.
Betrokkene werd op 16 februari 2026 opgevangen op de spoedeisende hulp van het HMC. Zij werd opgenomen op afdeling traumachirurgie voor 4 dagen.
Haar geschatte genezingsduur betreft minimaal 6 tot 12 weken.
5. Het geschrift, te weten een medisch advies ten aanzien van [aangeefster] , opgesteld door arts/medisch adviseur dr. F.W. Kok op 28 juli 2026 (ongenummerd):
16-02-2026, ambulanceritformulier: Cliënte is als voetganger aangereden.
20-02-2026, brief [naam 1] , arts-assistent chirurgie:
Cliënte was van 17 tot en met 20-2-2026 opgenomen in verband met wervelfracturen na een aanrijding. Naast de eerdergenoemde stijve halskraag werd haar pijnstilling voorgeschreven en kreeg zij fysiotherapie.
03-04-2026, brief [naam 2] , neurochirurg:
Ze heeft nog last van de hoofd-halsspieren en van pijn naast de schouderbladen.
29-04-2026, brief [naam 3] , bedrijfsarts:
Cliënte is als verpleegkundige dan nog niet inzetbaar in werk.
06-05-2026, brief [naam 4] , sportfysiotherapeut:
De rotatie van de halswervelkolom naar rechts is bemoeilijkt. De spieren die de
halswervelkolom naar het achterhoofd overspannen zijn nog pijnlijk bij palperen en
verantwoordelijk voor de hoofdpijn die cliënte nog heeft. Zij is snel buiten adem en heeft moeite om de balans tussen belasting en belastbaarheid te bepalen. Er worden aanvullende oefeningen ingezet. Cliënte ervaart een vooruitgang, maar ze is erg moe na de therapie.
02-06-2026, rapportage [naam 5] , arbo verpleegkundige:
De belastbaarheid neemt geleidelijk toe. Er zijn nog steeds beperkingen. Ze werkt dan in aangepast werkt, 2x2 uur per week.
09-07-2026, rapportage [naam 5] , arbo verpleegkundige:
Cliënte werkt dan 4 uur en drie kwartier per dag gedurende 2 dagen per week.
Nadere beschouwing:
Prognostisch kan een medische eindsituatie medio februari 2027 verwacht worden.
6. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 14 augustus 2026, voor zover inhoudende:
Ik reed in een rode Mini Cooper. Ik zag dat er een wegafzetting was. Als ik die wegafzetting zou negeren zou ik binnen twee minuten thuis zijn. Ik dacht dat gok ik maar. Ik reed op de linkerrijstrook voor het tegenliggende verkeer. Vervolgens ging ik voor een tegenligger opzij naar de rijstrook waar wegwerkzaamheden waren. Ik voelde een klap tegen mijn auto. Ik ben toen naar huis gereden.
Bewijsoverwegingen feit 1
Mate van schuld
De rechtbank is, zoals de officier van justitie heeft gerekwireerd en de verdediging heeft bepleit, van oordeel dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of deze schuld aan te merken is als roekeloosheid als bedoeld in artikel 175, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994), zoals gerekwireerd door de officier van justitie, of dat sprake is van een minder zware schuldvorm, zoals aangevoerd door de raadsman.
In het algemeen geldt dat onder 'schuld' als delictsbestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan die bestaat in verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of daarvan sprake is, wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid.
Onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, in samenhang met artikel 6 WVW 1994 is in elk geval sprake als het gedrag ook als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW 1994 kan worden aangemerkt. Artikel 5a, eerste lid, WVW 1994 beschrijft – niet uitputtend – een reeks gedragingen. Als de verdachte, door een of meer van dergelijke gedragingen te verrichten, opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedraagt dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, kan dat gedrag als roekeloos worden aangemerkt als daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Bij het bewijs van het opzettelijk in ernstige mate overtreden van de verkeersregels komt het onder meer aan op de feiten en omstandigheden die zicht bieden op “de algehele instelling van de verdachte waar het in het concrete geval zijn deelname aan het verkeer betreft".
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte in het donker een weg is ingeslagen die was afgesloten. Daarbij is de verdachte tegen het verkeer in gereden en is vervolgens tussen geleide bakens door op een voor hem afgesloten rijbaan gaan rijden waarop hij in aanrijding is gekomen met een hardloopster, die een lampje om haar arm droeg om haar zichtbaarheid te vergroten. De rechtbank oordeelt dat de gedragingen van de verdachte, tevens in ogenschouw nemend zijn verklaring ter terechtzitting dat hij ‘het maar gokte zodat hij binnen twee minuten thuis zou zijn’, dusdanig van aard zijn dat de verdachte ernstig tekort is geschoten in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte "zeer onvoorzichtig en onoplettend" heeft gereden.
De rechtbank komt niet tot het oordeel dat de verdachte "roekeloos" heeft gereden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat zij niet heeft kunnen vaststellen hoe hard de verdachte heeft gereden en of sprake is geweest van alcohol- en/of telefoongebruik door de verdachte tijdens de begane overtredingen. Ten slotte schetst doorrijden na de aanrijding weliswaar een zeer onverschillige houding van de verdachte, maar de rechtbank betrekt dit apart tenlastegelegde feit (feit 2) niet in de invulling van de mate van schuld van artikel 175, tweede lid, WVW 1994.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om te kunnen oordelen dat sprake is geweest van schuld in de vorm van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, WVW 1994. De verdachte zal van dat onderdeel worden vrijgesproken. Wel is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag in de zin van artikel 6 WVW 1994.
Zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank stelt aan de hand van bewijsmiddelen vast dat door de gedragingen van de verdachte verschillende letsels bij [aangeefster] zijn veroorzaakt, te weten: gebroken halswervels, gebroken ribben en longkneuzing(en). Dit letsel is zonder medisch ingrijpen blijvend van aard en de verwachting is dat het herstel naar een medische eindsituatie tot medio februari 2027 gaat duren. [aangeefster] heeft door het letsel in ieder geval gedurende al vijf maanden niet haar normale beroepsbezigheden kunnen verrichten. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het letsel van [aangeefster] als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 WVW 1994 moet worden aangemerkt en komt daarmee tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij, op 16 februari 2026 te ’s-Gravenzande, binnen de gemeente Westland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de weg, de Nieuwelaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, te handelen als volgt:
- verdachte is in strijd met artikel 62 van het RVV 1990 en bord C2 van de bijlage RVV 1990, zonder ontheffing, de (voor het openbaar verkeer) voor zijn, rijrichting afgesloten Nieuwelaan opgereden,
- is de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer opgereden,
- is (vervolgens) tussen geleidebakens doorgereden, waarbij hij over een afgesloten rijstrook is gaan rijden,
- heeft daarbij zijn aandacht niet voortdurend en/of voldoende op de weg en/of de zich aldaar bevindende verkeersdeelnemers gehad en/of gehouden,
- heeft een zich aldaar in dezelfde voor hem, verdachtes rijrichting bevindende voetganger, te weten [aangeefster] , niet tijdig opgemerkt en
- heeft zijn voertuig niet tijdig tot stilstand gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was,
ten gevolge waarvan hij met het door hem bestuurde voertuig in aanrijding met
voornoemde voetganger is gekomen, waardoor [aangeefster] zwaar lichamelijk letsel, te weten onder meer: meerdere gescheurde nekwervels, meerdere gebroken ribben en een longkneuzing werd toegebracht;
2
dat hij, als degene die als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in ’s-Gravenzande, binnen de gemeente Westland, op de Nieuwelaan, op 16 februari 2026, de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [aangeefster] ), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor drie jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden wordt opgelegd, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich als bestuurder van een auto schuldig gemaakt aan zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. De verdachte is op een rijbaan voor tegenliggers gaan rijden, omdat zijn rijbaan was afgesloten voor werkzaamheden. Vanwege een tegenligger is hij tussen de geleide bakens doorgereden en over de afgesloten rijbaan gaan rijden. Op deze afgesloten rijbaan heeft hij [aangeefster] – die hier aan het hardlopen was – aangereden. [aangeefster] heeft hierbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat [aangeefster] nog steeds concentratieproblemen heeft en niet volledig haar werkzaamheden kan uitoefenen. Het feit dat de verdachte na de aanrijding is doorgereden heeft bij het slachtoffer grote vragen opgeroepen, vragen die de acceptatie van het leed niet hebben bevorderd. Met het doorrijden heeft de verdachte bovendien de kans op eventuele gevolgen bij het slachtoffer vergroot. Zij bevond zich namelijk in een hulpbehoevende toestand langs de kant van de weg en het is niet meer dan geluk geweest dat een toevallige voorbijganger haar heeft gezien en hulp heeft ingeschakeld. Tot slot overweegt de rechtbank dat door het doorrijden na het ongeluk de verdachte het onderzoek heeft bemoeilijkt. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 13 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten in Nederland.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 19 juli 2026, waaruit volgt dat het recidiverisico niet kan worden ingeschat omdat de verdachte een deels ontkennende verdachte is. De reclassering heeft met de beschikbare informatie niet kunnen adviseren of interventies en/of toezicht nodig zijn.
De op te leggen straffen
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin staat als uitgangspunt bij artikel 6 WVW 1994, waarbij sprake is van een zeer hoge mate van schuld en zwaar lichamelijk letsel, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaren.
In dit geval weegt de rechtbank strafverzwarend mee dat de verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Dit blijkt uit zijn verklaring ter terechtzitting en uit het feit dat hij na de aanrijding is doorgereden en zich niet gemeld heeft bij de politie.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.
De rechtbank zal een aanzienlijk lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, omdat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring is gekomen van roekeloosheid en niets heeft kunnen vaststellen ten aanzien van (mogelijk) alcoholgebruik van de verdachte.
Alles overwegende zal rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en de ontzegging van de rijbevoegdheid voor een periode van twee jaren.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;
- 57 van het Wetboek van Strafrecht
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde deze uitspraak gelden.
8. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
ten aanzien van feit 2:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel c van de Wegenverkeerswet 1994;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor 2 (twee) jaren;
bepaalt, dat de tijd, dat het rijbewijs vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd of ingehouden is geweest bij de voorwaardelijk opgelegde ontzegging geheel in mindering zal worden gebracht;
voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P. van Essen, voorzitter,
mr. T.A.B. Mentink, rechter,
mr. M.C. Bruins, rechter,
in tegenwoordigheid van mrs. E.D. Six & S.A.E. Tesson, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 augustus 2026.