ECLI:NL:RBDHA:2026:24385

ECLI:NL:RBDHA:2026:24385

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer NL25.13926
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Asiel Colombia. Eiser stelt doelwit te zijn van de FARC vanwege zijn militaire achtergrond, de ex-partner van zijn vrouw en de familie van zijn vrouw. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanval van leden van de FARC op de scooter terecht ongeloofwaardig heeft geacht. Strijd met de goede procesorde. Beroep ongegrond.

Uitspraak

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] 1981, van Colombiaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. H.M. Pot),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser.

Bij besluit van 25 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J.M. van Schaik als tolk in de Spaanse taal, en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister eisers asielaanvraag heeft mogen afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Toetsingskader

3. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. In dat kader is de Vw met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vw zoals deze gold tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vw dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.

Daarnaast zijn er met dit pact diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. Omdat de rechtbank naar aanleiding van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 juni 2026 een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht voor wat betreft het asielrelaas zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.

Achtergrond en asielrelaas

4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij stelt van Colombiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1981. Eiser behoort tot een inheemse bevolkingsgroep die uit Tolima komt. Eiser stelt niet terug te kunnen naar Colombia. Hij verklaart dat hij in juni 2023 Colombia van zijn fiets is gereden door twee mannen op een scooter toen hij van zijn werk als lifeguard onderweg naar huis was. Tijdens deze aanval is hij beschoten en kon hij op tijd wegrennen. Eiser stelt dat de FARC achter de aanval zit. Eiser vermoedt dat hij vanwege zijn militaire achtergrond, de banden van de familie van zijn vrouw met de FARC en zijn grondbezit als koffieteler een doelwit is. Ook vermoedt hij dat de ex-partner van zijn vrouw, een FARC-commandant, achter de aanval zit. Na de aanval is eiser met zijn vrouw en zoontje verhuisd naar Bogota, waar hij stelt te hebben gewerkt als tuinman in een hotel. Omdat eiser nog steeds vreesde voor zijn veiligheid en de relatie met zijn vrouw hierdoor onder druk stond, heeft eiser op

20 april 2024 Colombia verlaten en op 29 mei 2024 asiel aangevraagd in Nederland.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:

Identiteit, nationaliteit en herkomst; en

De aanval van de leden van de FARC op de scooter.

De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De aanval door leden van de FARC terwijl eiser op zijn fiets zat, acht de minister niet geloofwaardig. Dit asielmotief is niet onderbouwd met documenten en de verklaringen van eiser vormen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister stelt zich op het standpunt dat de verklaring van eiser dat hij specifiek in de belangstelling van de FARC staat, niet is onderbouwd en dat hij zijn informatie over de daders van de aanval enkel op vermoedens baseert. Daarbij is het vreemd dat eiser geen aangifte heeft gedaan. Verder is het feit dat eiser uit Colombia komt op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn. Ook is het feit dat hij uit Colombia komt op zichzelf niet genoeg om een risico op ernstige schade aan te nemen. Tot slot is er aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.

Indienen van aanvullend stuk

6. Drie werkdagen voor de zitting heeft eiser een onvertaald Spaans stuk ingediend met daarbij een screenshot van de mailtoezending van dat stuk. Ter zitting is toegelicht dat dit een verklaring van de Eenheid voor slachtoffers betreft waaruit zou blijken dat de vrouw van eiser is ingeschreven in het Centraal Register voor Slachtoffers en door de Colombiaanse overheid wordt erkend als ontheemd als gevolg van het gewapend conflict in Colombia.

De minister heeft op de zitting een beroep gedaan op de ontoelaatbaarheid van de verklaring in het kader van de goede procesorde. Het betreft een onvertaald stuk dat zeer kort voor de zitting is ingediend.

De rechtbank beoordeelt of het door eiser ingediende onvertaalde stuk en de bijbehorende screenshot buiten beschouwing moeten worden gelaten in verband met strijd met de goede procesorde of wanneer de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd. De rechtbank stelt vast dat de verklaring dateert van 13 mei 2025 en eiser deze op 24 juni 2026 in de procedure heeft ingebracht. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangegeven dat zij al sinds 6 mei 2026 in bezit is van dit stuk. De tolk op zitting heeft gezegd het stuk ter plekke te kunnen vertalen. Dat bleek echter niet goed mogelijk. Slechts enkele zinnen zijn vertaald. De rechtbank noch de minister is voldoende in staat geweest om zonder vertaling en zonder begeleidend schrijven de inhoud van de verklaring te beoordelen. Daardoor heeft de minister niet adequaat op de verklaring kunnen reageren. De verantwoordelijkheid voor het tijdig indienen van stukken en de vertaling ervan ligt bij eiser, nu het op zijn weg ligt om zijn asielaanvraag op relevante onderdelen met documenten te onderbouwen. De rechtbank overweegt dat het stuk niet tijdens de verlengde procedure maar in beroep is overgelegd, waardoor de minister niet (langer) verantwoordelijk is voor de vertaling daarvan. Eiser en zijn gemachtigde hebben onvoldoende uitleg gegeven over het late indienen van de verklaring en hoe het stuk verband houdt met het asielmotief van eiser dat hij vreest voor de FARC. De rechtbank is dan ook met de minister van oordeel dat de verklaring buiten beschouwing moet worden gelaten in verband met strijd met de goede procesorde.

Correcties en aanvullingen

7. Eiser stelt dat de correcties en aanvullingen onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken. Het voornemen is namelijk genomen voordat de correcties en aanvullingen waren ingediend.

De rechtbank overweegt dat het nader gehoor op 8 juni 2024 is afgenomen. In dat rapport is opgenomen dat eiser één dag heeft voor het indienen van de correcties en aanvullingen. Eiser heeft deze termijn ongebruikt laten verstrijken. Op 11 november 2024 is eiser erop gewezen dat er geen correcties en aanvullingen waren ingediend. Op 15 november heeft eiser twaalf stukken ingediend, waaronder een aangifte bij de politie in Colombia en stukken die zien op het grondbezit van eiser, en aangekondigd dat de correcties en aanvullingen nog volgen. Op 25 november 2024 is het voornemen uitgebracht en daarna zijn op 23 december 2024 de correcties en aanvullingen ingediend.

De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser was te laat met het indienen van de correcties en aanvullingen. De stelling van eiser dat hij op 20 november 2024 de minister heeft verzocht om een nadere termijn, blijkt niet uit de stukken en maakt dit ook niet anders. Eiser heeft daarna immers nog bijna vijf weken genomen om te reageren. Desalniettemin heeft de minister de correcties en aanvullingen en de bijbehorende stukken meegenomen in het bestreden besluit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister de correcties en aanvullingen voldoende in de besluitvorming heeft betrokken. Dat de minister minder gewicht toekent aan deze correcties en aanvullingen dan eiser zou willen, maakt nog niet dat de minister dit onvoldoende bij de besluitvorming heeft betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.

Geloofwaardigheid van het scooterincident

8. Eiser voert verder aan dat zijn problemen met de FARC ten onrechte ongeloofwaardig zijn geacht. Eiser heeft na het nader gehoor alsnog een aangifte overgelegd evenals documenten die zien op zijn grondbezit als koffieteler. Ook heeft hij documenten overgelegd die onderbouwen dat hij vanwege zijn militaire achtergrond, de ex-partner van zijn vrouw en de familie van zijn vrouw een doelwit is.

De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom juist hij het doelwit zou zijn van de FARC. Dat de daders van het scooterincident lid zouden zijn van de FARC is, zoals de minister heeft gesteld en eiser zelf heeft benoemd, gebaseerd op eisers eigen vermoedens. Met de minister is de rechtbank van oordeel dat uit het eigen onderzoek van eiser dat hij heeft verricht met hulp van vrienden uit de onderwereld niet blijkt dat de daders lid waren van een bepaalde groepering. Ook de stelling van eiser dat de ex-partner van zijn vrouw, die FARC-commandant zou zijn geweest, achter het incident zit, is slechts een vermoeden. Uit de verklaringen van eiser blijkt niet dat hij direct problemen met hem heeft ondervonden.

De rechtbank volgt de minister daarnaast in het standpunt dat niet wordt gevolgd dat de negatieve belangstelling van de FARC kan zijn ontstaan door het vervullen van de verplichte dienstplicht. Uit beschikbare landeninformatie volgt niet dat iedere (ex-)militair in Colombia doelwit is van de FARC. Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat enkel en alleen het vervullen van de militaire dienstplicht hem persoonlijk tot een doelwit heeft gemaakt. Eiser heeft dit niet nader onderbouwd of inzicht gegeven in hoe hij tot deze conclusie is gekomen.

De rechtbank volgt de minister ook in het standpunt dat eisers stelling in beroep dat hij doelwit is van de FARC vanwege familieleden van zijn vrouw die hierbij aangesloten zijn, niet aannemelijk is gemaakt. Dit rijmt namelijk niet met eisers verklaring in het nader gehoor dat hij nooit persoonlijk problemen heeft gehad met de familieleden van zijn vrouw, maar dat sterker nog, de tantes van zijn vrouw hem dankbaar zijn dat hij haar een ander leven heeft gegeven.

De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn grondbezit als koffieteler problemen heeft met de FARC. Het is de rechtbank ter zitting niet duidelijk geworden of, en over welke periode, eiser koffieteler is geweest. Eiser heeft namelijk ook verklaard dat hij heeft gewerkt als lifeguard en als tuinman. De rechtbank overweegt daarbij dat de overgelegde stukken die zien op het grondbezit van eiser, niet zijn vertaald en dat eiser niet heeft toegelicht wat hij met deze stukken precies heeft willen zeggen. Eiser is er ook niet in geslaagd om het causaal verband tussen de problemen met de FARC en zijn grondbezit aan te tonen. De enkele verwijzing naar landeninformatie waaruit volgt dat grondbezit een reden kan zijn om in de negatieve belangstelling van de FARC te staan, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende.

Tot slot heeft de minister terecht tegengeworpen dat het feit dat eiser bij de correcties en aanvullingen een document met een kopie van een aangifte heeft overgelegd, tegenstrijdig is met eisers eerdere verklaringen dat hij geen aangifte heeft gedaan. Als een vreemdeling in de correcties en aanvullingen terugkomt op eerdere verklaringen, mag van hem een deugdelijke verklaring worden verwacht waarom die verklaringen gecorrigeerd moeten worden. Eiser heeft geen deugdelijke verklaring gegeven voor de wisselende verklaringen. De stelling van eiser ter zitting dat de aangifte ziet op bedreigingen die enkele dagen voor het scooterincident hebben plaatsgevonden, maakt dit niet anders, nu eiser verder niets heeft verklaard over deze gestelde eerdere bedreigingen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister de aanval van leden van de FARC op de scooter terecht ongeloofwaardig heeft geacht. De beroepsgrond slaagt niet.

Terugkeerbesluit en verblijfsvergunning bepaalde tijd regulier

9. De beroepsgronden die zijn gericht tegen het terugkeerbesluit en het niet verlenen van een reguliere verblijfsvergunning, zijn niet onderbouwd en kunnen daarom niet slagen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Vrije, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand