ECLI:NL:RBDHA:2026:24386

ECLI:NL:RBDHA:2026:24386

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer NL26.47367
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Gouda

Samenvatting

Bewaring ex artikel 59a van de Vw.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.47367

V-nummer: [v-nummer:],

(gemachtigde: mr. M. Rasul),

en

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg)

1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De maatregel is op goede gronden opgelegd en de minister heeft kunnen afzien van het gebruik van een lichter middel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiser op 18 augustus 2026 op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is via een beeldverbinding vanuit het detentiecentrum in Rotterdam verschenen. Mr. Pater, als waarnemer van de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. De minister heeft in de maatregel van bewaring overwogen dat deze wordt opgelegd omdat concrete aanwijzingen bestaan dat eiser valt onder de werkingssfeer van de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMbV) en omdat er een onderduikrisico bestaat. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.

Voortraject

4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.

Grondslag

5. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de AMbV. Op 21 april 2026 hebben de Nederlandse autoriteiten een overnameverzoek ingediend bij de autoriteiten van Spanje. Spanje heeft dit verzoek op 25 mei 2026 aanvaard. Op 1 mei 2026 heeft de minister ten aanzien van eiser een overdrachtsbesluit genomen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.

Gronden

6. De rechtbank is van oordeel dat de gronden aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Daarmee is er voldoende reden om aan te nemen dat er een onderduikrisico bestaat.

Eiser beschikt niet over een paspoort, geldig visum of verblijfsvergunning en heeft daarom niet aannemelijk kunnen maken dat hij via de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen (grond a). Dat eiser een asielzoeker is, doet daar niet aan af, nu de minister mag volstaan met een motivering die feitelijk juist is. Daarnaast is het ook feitelijk juist dat eiser in Spanje onder een andere geboortedatum staat geregistreerd, namelijk 17 april 2007 (grond d), en daarmee onjuiste of tegenstrijdige gegevens over zijn identiteit heeft verstrekt. De rechtbank ziet in de enkele stelling van eiser dat dit verkeerd is genoteerd geen reden om aan deze registratie te twijfelen. Ook heeft eiser een overdrachtsbesluit ontvangen en verleent hij geen medewerking aan de overdracht (grond k) en is eiser niet langer beschikbaar door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum (grond o), hetgeen voor beide gronden blijkt uit het gegeven dat eiser op 4 juli 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Dat het volgens eiser niet zijn bedoeling was om in Duitsland terecht te komen en zich hiermee aan het toezicht te onttrekken, maakt deze gronden niet feitelijk onjuist. Ook kan aan eiser worden tegengeworpen dat hij niet beschikt over een document zoals bedoeld in artikel 4.21 van het Vb (grond p), en heeft eiser verklaard tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling over onvoldoende middelen van bestaan te beschikken (grond r) en afhankelijk te zijn van het leefgeld en opvang van het COa (grond s). Deze laatste drie gronden zijn daarmee feitelijk juist en de minister heeft voor deze gronden ook het bestaan van een onderduikrisico nader gemotiveerd.

Lichter middel

7. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de maatregel kunnen dragen en daarmee het onderduikrisico is gegeven. Dat eiser stelt naar Algerije te willen terugkeren en, als dit niet mogelijk is, ook zijn medewerking wil verlenen aan de overdracht aan Spanje, maakt niet dat de minister met een lichter middel had moeten volstaan. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken, dat het IOM het traject voor vrijwillig vertrek heeft beëindigd wegens het feit dat eiser niet de benodigde informatie heeft verstrekt en/of instructies niet heeft opgevolgd en dat zijn handelen, hoewel eiser heeft verklaard te willen vertrekken, niet heeft geleid tot een daadwerkelijke terugkeer of overdracht.

Ook is de rechtbank overigens niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.

Voortvarendheid en zicht op overdracht

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend handelt ten aanzien van de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht aan Spanje bestaat. Zo is er op de derde dag van de inbewaringstelling, op 20 augustus 2026, een vertrekgesprek met eiser gevoerd en is tijdens dit gesprek aan hem meegedeeld dat op 28 augustus 2026 een vlucht staat gepland naar Madrid, Spanje. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat deze overdracht niet zal kunnen plaatsvinden.

Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.

10. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Sibma

Griffier

  • mr. S. Strating

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand