ECLI:NL:RBDHA:2026:24399

ECLI:NL:RBDHA:2026:24399

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-07-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer C/09/700887 / JE RK 26-371
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

omgangsregeling met pleegouders na thuisplaatsing bij ouders.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummer: C/09/700887 / JE RK 26-371

Datum uitspraak: 28 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de omgangsregeling (zelfstandig verzoek van de pleegouders)

in de zaak van

Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),

over

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

en

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

hierna ook tezamen te noemen: de ouders,

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. P.R.L.V.M. Kruik uit Den Haag,

[de pleegmoeder],

hierna te noemen: de pleegmoeder;

en

[de pleegvader],

hierna te noemen: de pleegvader;

hierna ook tezamen te noemen de pleegouders,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers uit Horst.

1. Het verdere verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de beschikking van 9 april 2026 en de daarin genoemde stukken;

de update van de GI van 22 juni 2026 met bijlagen;

de brief van mr. Hoppers van 1 juli 2026 met producties 20-29.

Op 7 juli 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet.

Daarbij waren aanwezig:

- de ouders met hun advocaat;

- [naam 1] en [naam 2] als vertegenwoordigers van de GI;

- de pleegouders met hun advocaat.

2. De feiten

[minderjarige] is erkend door de vader.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

[minderjarige] woont sinds half april 2026 bij haar vader en moeder.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 december 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 12 januari 2027.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 april 2026 het verzoek van de GI tot thuisplaatsing van [minderjarige] toegewezen. De kinderrechter heeft bij deze beschikking bepaald dat de omgang tussen de pleegouders en [minderjarige] voorlopig onder regie van de GI zal plaatsvinden en heeft het zelfstandige verzoek van de pleegouders tot het vaststellen van een omgangsregeling voor het overige aangehouden tot een nader te bepalen zitting.

3. Het zelfstandig verzoek van de pleegouders

De pleegouders verzoeken een omgangsregeling tussen de pleegouders en [minderjarige] te bepalen waarbij [minderjarige] omgang heeft met de pleegouders:

Primair:

De ene week van woensdagmiddag na schooltijd tot en met vrijdagmiddag naschooltijd;

De andere week van woensdagmiddag na schooltijd tot en met zondagmiddag 18:00 uur;

Als ook gedurende de helft van alle schoolvakanties en feestdagen.

Subsidiair:

Gedurende ieder weekend van vrijdagmiddag na schooltijd tot zondagavond 18:00 uur;

Alsook gedurende de helft van alle schoolvakanties en feestdagen.

Meer subsidiair:

Om het weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school (handhaven huidige regeling)

De pleegouders verzoeken een omgangsregeling vast te stellen. De pleegouders achten een vorm van een co-ouderschap het meest in het belang van [minderjarige]. [minderjarige] zou dan bijvoorbeeld van maandag tot en met woensdagmiddag bij ouders kunnen zijn, van woensdagmiddag tot en met vrijdagmiddag bij pleegouders én het weekend om en om. Daarnaast zouden de vakanties en feestdagen bij helfte verdeeld kunnen worden. Hiermee kan de hechtingsrelatie tussen pleegouders en [minderjarige] in stand blijven én kan zij zich daarnaast ook veilig hechten aan haar ouders. Het is belangrijk dat alle voor [minderjarige] belangrijke personen in haar leven blijven en dat zij niet opnieuw een periode van verlies en rouw doormaakt. Als de kinderrechter een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [minderjarige] acht, dan verzoeken de pleegouders subsidiair een regeling te hanteren waarbij [minderjarige] voorlopig ieder weekend bij pleegouders zal zijn, alsook gedurende de helft van alle schoolvakanties en feestdagen. Meer subsidiair vragen de pleegouders om de huidige omgangsregeling, waarbij [minderjarige] om het weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de pleegouders is, te handhaven. De zeer beperkte omgangsregeling die door de GI is voorgesteld, achten de pleegouders zeer zeker niet in het belang van [minderjarige]. De pleegouders kunnen het advies van Jeugdformaat over de omgangsregeling niet volgen. De pleegouders betreuren het verder dat Jeugdformaat in verband met het ontbreken van een basis van vertrouwen, o.a. door de lopende klachtprocedure, heeft besloten om het traject Ouderschap Blijft niet te starten. De pleegouders staan open voor een traject om de samenwerking met de ouders te verbeteren.

4. De standpunten

De GI voert verweer tegen het verzoek en onderbouwt dat – kort en zakelijk weergegeven - als volgt. [minderjarige] laat in haar gedrag zien dat zij zowel bij de ouders als bij de pleegouders wil zijn. Recent zijn er signalen dat [minderjarige] het moeilijk heeft op school nadat ze het weekend bij pleegouders is geweest. Het is niet vreemd dat [minderjarige] het moeilijk heeft. Ze wil graag bij allebei haar ouderfiguren zijn. Het is noodzakelijk dat [minderjarige] duidelijkheid ervaart over haar hoofdverblijfplaats bij haar ouders en het contact met haar pleegouders. Het is belangrijk dat [minderjarige] haar pleegouders kan blijven zien, omdat zij belangrijke hechtingsfiguren voor haar zijn. De GI benadrukt hierbij dat [minderjarige] ook aan haar ouders is gehecht, dit blijkt onder meer uit het perspectiefonderzoek van Jeugdformaat. Jeugdformaat heeft een onderzoek gedaan naar het wenselijke contact tussen de pleegouders en [minderjarige], en is uitgekomen op een laagfrequente contactregeling van een weekend per maand. De GI kan zich hier deels in vinden, ook vanwege de gespannen samenwerking tussen de ouders en de pleegouders. Een laagfrequente contactregeling zal minder van [minderjarige] en de (pleeg)ouders vragen. De GI is van mening dat deze regeling nu nog niet passend is voor [minderjarige]. Een maand duurt erg lang voor een meisje van vier jaar oud, dat het grootste deel van haar leven bij haar pleegouders heeft doorgebracht. Het is van belang dat dit contact zorgvuldig wordt afgebouwd en dat [minderjarige] ervaart dat zij haar pleegouders mag blijven zien en dat zij hier ook de emotionele toestemming voor krijgt. De GI vindt het daarom het meest in het belang van [minderjarige] dat zij tot haar vijfde verjaardag om het weekend twee nachten blijft slapen bij pleegouders, waarbij de pleegouders [minderjarige] uit school kunnen halen en [minderjarige] op zondag uiterlijk om 17:00 uur weer terugbrengen bij de ouders. Na de vijfde verjaardag van [minderjarige] kan zij dan volgens de GI elk eerste weekend van de maand twee nachten bij de pleegouders slapen, waarbij de pleegouders [minderjarige] op vrijdag uit school kunnen halen en haar op zondag uiterlijk om 17:00 uur weer terugbrengen bij de ouders. Tijdens vakanties kunnen de pleegouders [minderjarige] bij de ouders thuis ophalen om 15:30 uur.

De GI vindt het daarnaast belangrijk om hulpverlening in te zetten om de samenwerking tussen pleegouders en ouders te verbeteren. De GI betreurt het dat Ouderschap Blijft niet start door de ontstane vertrouwensbreuk. De GI zal op zoek gaan naar een andere organisatie.

De ouders hebben op zitting verzocht het verzoek van de pleegouders af te wijzen en te beslissen conform het advies van de GI. De ouders scharen zich achter de visie van de GI zoals in de update is gegeven. Het is belangrijk voor [minderjarige] dat er duidelijkheid komt. Volgens de ouders is zichtbaar dat [minderjarige] last heeft van de wisselmomenten. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de signalen die [minderjarige] op school laat zien nadat zij het weekend bij de pleegouders is geweest. Om die reden is het belangrijk dat het aantal wisselmomenten wordt teruggebracht. Het zou volgens de ouders wenselijk zijn om langzaam toe te werken naar één weekend omgang in de maand. De ouders staan open voor mediation of een vorm van ouderschapsbemiddeling om het contact en de samenwerking met de pleegouders te verbeteren.

5. De beoordeling

De kinderrechter heeft in de beschikking van 9 april 2026 geoordeeld dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij bij haar ouders gaat wonen. Dit betekent dat de thuisbasis van [minderjarige] bij haar ouders is komen te liggen. De kinderrechter stelt vast dat de thuisplaatsing positief is verlopen. VUHP is tot 1 juni 2026 bij het gezin betrokken geweest en heeft geen zorgen gezien in de thuissituatie bij de ouders. De kinderrechter vindt het zeer positief dat pleegouders inmiddels aangeven dat zij de thuisplaatsing steunen. De kinderrechter heeft in de beschikking van 9 april 2026 ook overwogen dat het, gelet op de gehechtheidsrelatie van [minderjarige] met de pleegouders, van groot belang is dat er structureel en regelmatig contact blijft plaatsvinden tussen [minderjarige] en de pleegouders. De pleegouders zijn er gedurende lange tijd voor [minderjarige] geweest in de periode dat de ouders dat niet konden.

De kinderrechter stelt voorop dat het in het belang van [minderjarige] is dat duidelijk voor haar is waar haar thuisbasis is. De kinderrechter ziet dat niet alleen de pleegouders maar ook de ouders hechtingsfiguren zijn voor [minderjarige]. De moeder is altijd in contact gebleven met [minderjarige] en de vader heeft sinds [minderjarige] 1,5 jaar oud is contact met haar. Het is daarom niet zo dat de pleegouders de enige hechtingsfiguren van [minderjarige] zijn. De kinderrechter ziet dat de pleegouders [minderjarige] missen. In het algemeen geldt echter ook dat het bij de rol van pleegouders hoort dat zij ruimte moeten maken voor de ouders als deze weer in staat zijn zelf de zorg voor hun kind op zich te nemen. Dit brengt met zich mee dat de pleegouders een rol op afstand moeten gaan innemen.

Duidelijk is dat [minderjarige] het nu op momenten moeilijk heeft. Dit is ook begrijpelijk omdat er in relatief korte tijd veel is veranderd in haar leven. De signalen die [minderjarige] laat zien (zoals aangeven bij de één dat ze niet naar de ander wil en huilen op school en in haar broek plassen) kunnen op verschillende manieren worden uitgelegd. De kinderrechter ziet in de signalen die [minderjarige] geeft wel aanleiding om het contact tussen [minderjarige] en de pleegouders stapsgewijs af te bouwen. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de GI goed blijft volgen hoe het met [minderjarige] gaat en in overleg met hulpverlening kijkt wat hiervoor eventueel ingezet moet worden. De kinderrechter ziet ook dat [minderjarige] een veerkrachtig meisje is dat de tijd mag krijgen om te wennen aan de nieuwe situatie waarbij haar thuisbasis bij de ouders is.

De kinderrechter acht het in het belang van [minderjarige] en alle betrokkenen dat er duidelijkheid komt over de omgangsregeling. De kinderrechter ziet -alles tegen elkaar afwegende- aanleiding om het advies van de GI te volgen. Dit betekent dat [minderjarige] tot haar vijfde verjaardag om het weekend bij de pleegouders zal zijn en vanaf haar vijfde verjaardag het eerste weekend van de maand. De kinderrechter volgt ook het advies van de GI om de overdracht voortaan op zondag te laten plaatsvinden en niet op maandagochtend via school, zodat [minderjarige] op zondag thuis eerst even kan landen voordat de schoolweek weer begint.

Hierbij wordt het contact tussen de pleegouders en [minderjarige] in stapjes afgebouwd waardoor [minderjarige] hieraan kan wennen en het voor haar duidelijk wordt waar haar thuisbasis is. De pleegouders blijven echter wel deel uitmaken van het leven van [minderjarige], wat belangrijk voor haar is, gelet op de gehechtheidsrelatie die er tussen haar en de pleegouders bestaat. Ook wordt met deze regeling recht gedaan aan het uitgangspunt dat er sprake moet zijn van structureel en regelmatig contact met de pleegouders.

De kinderrechter verwacht dat met de duidelijkheid over de omgangsregeling de verstandhouding tussen de ouders en pleegouders al zal verbeteren en stabiliseren. De kinderrechter is hierbij wel van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is om hulpverlening in te zetten voor het verder verbeteren van de samenwerking en de communicatie tussen de ouders en de pleegouders. Bij de vorige zitting waren de

(pleeg-)ouders reeds aangemeld voor Ouderschap Blijft en bestond de hoop dat dit op korte termijn van start zou gaan. Helaas is het traject bij Ouderschap Blijft niet gestart en is Jeugdformaat niet langer bereid om dit traject met de pleegouders aan te gaan. De kinderrechter is van oordeel dat er zo snel mogelijk een alternatieve aanbieder moet worden gevonden voor een soortgelijk traject. Het zal [minderjarige] ten goede komen als zij vanuit rust en met wederzijdse emotionele toestemming contact kan hebben met zowel de ouders als de pleegouders en dat de ouders en de pleegouders positief over elkaar kunnen spreken. Dit zal de situatie voor [minderjarige] verbeteren.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter -met wijziging in zoverre van de beschikking van 9 april 2026- :

bepaalt dat [minderjarige] bij de pleegouders zal verblijven:

tot haar vijfde verjaardag:

om het weekend van vrijdag uit school tot zondag 17:00 uur, waarbij de pleegouders [minderjarige] op vrijdag uit school ophalen en op zondag terugbrengen naar de ouders.

vanaf haar vijfde verjaardag:

elk eerste weekend van de maand van vrijdag uit school tot zondag 17:00 uur, waarbij de pleegouders [minderjarige] op vrijdag uit school ophalen en op zondag terugbrengen bij de ouders.

waarbij geldt dat de pleegouders [minderjarige] tijdens schoolvakanties op vrijdag bij de ouders thuis ophalen om 15:30 uur;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. O.F. Bouwman, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026, in aanwezigheid van D. van den Born als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand