Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/702904 / KG ZA 26-363
Vonnis in kort geding van 28 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw] te [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat mr. C.E. van der Meijs te Zoetermeer,
tegen:
[de man] te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. J.L.J. Kapteijn te Alphen aan den Rijn.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord tevens houdende een eis in reconventie;
- de door de man op 11 mei 2026 overgelegde producties;
- de op 12 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling.
Tijdens de zitting hebben partijen ingestemd met een verwijzing naar mediation en zijn voorlopige afspraken gemaakt over de omgangsregeling voor de komende zes weken. Afgesproken is dat na verloop van zes weken en het opstarten van de mediation partijen zullen berichten of zij nog een vonnis wensen. Bij bericht van 13 juli 2026 zijn namens de vrouw haar vorderingen ingetrokken. Bij bericht van 13 juli 2026 is namens de man verzocht om afgifte van een vonnis. Vervolgens is vonnis bepaald op vandaag.
2. De feiten in conventie en in reconventie
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Partijen zijn samen de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats] .
De man heeft [minderjarige] erkend en de vrouw is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
Bij vonnis van 11 september 2025 van deze rechtbank is een voorlopige (opbouwende) omgangsregeling vastgesteld tussen de man en [minderjarige] en is de vrouw een dwangsom opgelegd van € 150,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat zij de voorlopige omgangsregeling niet nakomt, tot een maximum van € 3.000,-.
Bij arrest van 10 maart 2026 is - voor zover hier van belang - het vonnis bekrachtigd en in aanvulling daarop bepaald dat:
- de overdrachtsmomenten zullen worden begeleid door de vader van de vrouw, waarbij het aan de vrouw is om een van de in rechtsoverweging 6.4 genoemde opties met betrekking tot het ophalen te kiezen, te weten: de man haalt bij de vrouw thuis op (alwaar de vader van de vrouw zal zijn) of de man haalt bij de vader van de vrouw thuis op. Het hof heeft daarbij nog overwogen dat het ook een optie zou kunnen zijn dat de vader van de vrouw [minderjarige] naar het huis van de moeder van de man brengt;
- het terugbrengen van [minderjarige] door de man zal gebeuren:
- dat de vrouw met ingang van de datum van het arrest een dwangsom van € 300,- verbeurt voor iedere dag of ieder dagdeel dat zij de door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis vastgestelde voorlopige omgangsregeling niet nakomt, tot een maximum van € 10.000,-.
3. Het geschil
in conventie
De vordering in conventie is bij brief van 13 juli 2026 ingetrokken.
in reconventie
De man vordert – zakelijk weergegeven –:
te bepalen dat gedurende ieder omgangsmoment de vader van de vrouw de minderjarige naar het huis van de moeder van de man zal brengen en de man de minderjarige bij de vrouw zal terugbrengen waarbij de vader van de vrouw aanwezig zal zijn;
te bepalen dat [minderjarige] in het vervolg bij de man zal zijn op de volgende
momenten:
- iedere zaterdag van 9:00 tot 18:00 uur en
- eenmaal per 14 dagen op de maandag van 9:00 uur tot 15:00 uur
- de vrouw te veroordelen tot nakoming op straffe van een dwangsom per keer/dagdeel dat de vrouw de omgangsregeling niet volledig nakomt ter hoogte van € 500,- per keer.
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. Het hof heeft het aan de vrouw overgelaten om een keuze te maken op welke manier [minderjarige] wordt gehaald door dan wel gebracht wordt naar de man. De vrouw laat echter na tijdig een keuze kenbaar te maken, waardoor de man voor ieder omgangsmoment zijn advocaat moet inschakelen. Om dit te voorkomen wenst hij dat een duidelijke afspraak wordt gemaakt. Verder acht de man de huidige omgangsregeling niet in het belang van [minderjarige] . Er zijn nu twee omgangsmomenten dichtbij elkaar en daarna duurt het 11 dagen tot het volgende omgangsmoment. De man vordert daarom een regeling met meer regelmaat. Ook vordert de man verhoging van de opgelegde dwangsom, nu de vrouw de huidige regeling ondanks de dwangsom niet nakomt.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
Vooraf
Zoals hiervoor onder het kopje procedure reeds is vermeld, zijn partijen op de zitting verwezen naar mediation. Ook zijn er voorlopige afspraken gemaakt voor de omgangsregeling voor de eerste zes weken na de zitting, waarbij partijen tevens de opdracht is gegeven om in mediation het gesprek met elkaar aan te gaan en verdere afspraken te maken over het vervolg van de omgangsregeling. In afwachting van het begin van de mediation en het verloop van de afgesproken omgangsmomenten, is een beslissing op de voorliggende vorderingen aangehouden. Bij bericht van 13 juli 2026 is namens de man verzocht alsnog vonnis te wijzen. Eveneens bij bericht van 13 juli 2026 zijn namens de vrouw haar vorderingen ingetrokken, zodat alleen de vordering in reconventie nog moet worden beoordeeld.
in reconventie
Halen en brengen
De vordering van de man tot vastlegging van een eenduidige regeling voor het halen en brengen van [minderjarige] zal worden afgewezen. Uit het arrest van het hof van 10 maart 2026 blijkt dat aan de vrouw keuzes zijn gegeven voor de overdracht: de man haalt [minderjarige] op bij de vader van de vrouw thuis of de man haalt [minderjarige] op bij de vrouw thuis, waarbij de vader van de vrouw aanwezig zal zijn. Ook is een derde optie genoemd door het hof, namelijk dat de vader van de vrouw [minderjarige] bij de moeder van de man thuis brengt. Voor het terugbrengen is door het hof bepaald dat de man dit voor zijn rekening dient te nemen.
De voorzieningenrechter zal de eis van de man de vrouw te verplichten uitsluitend voor de derde optie te kiezen afwijzen. Weliswaar heeft dat de voorkeur van de man, maar het hof heeft er nu juist voor gekozen de vrouw te laten beslissen hoe de overdracht zal plaatsvinden. De man kan wel gevolgd worden in zijn stelling dat de onduidelijkheid die de vrouw daarover geregeld doet ontstaan niet goed is voor [minderjarige] en de toch al moeizame relatie tussen partijen daardoor verder verslechtert. Van de vrouw kan dan ook onder de gegeven omstandigheden worden gevergd dat zij de man tijdig eigener beweging informeert over haar keuze voor de overdracht. De voorzieningenrechter acht het daarbij redelijk dat zij de man minstens twee dagen voorafgaand aan het omgangsmoment, informeert over waar hij [minderjarige] die keer kan ophalen of dat zij er voor kiest de vader van de vrouw [minderjarige] naar de moeder van de man te laten brengen. De voorzieningenrechter ziet in het feit dat onweersproken is gebleven dat de man geregeld zijn advocaat heeft moeten inschakelen om duidelijkheid te krijgen over de overdracht aanleiding om het geven van tijdige informatie als verplichting van de vrouw in het dictum van dit vonnis op te nemen.
Zoals hiervoor al is vermeld, zijn partijen ook verwezen naar mediation. Het is aan partijen om in de mediation het verloop van de omgang te evalueren en zo mogelijk eenduidige afspraken te maken over het halen en brengen. Dat voorkomt wellicht dat steeds per omgangsmoment door de vrouw wordt beslist en dat zij daarover telkens de man moet informeren.
Wijzigen omgangsregeling en verhoging dwangsom
De vordering tot wijziging van de omgangsregeling zal worden afgewezen. Die regeling is recent nog door het hof bekrachtigd. Het gaat dan niet aan om in dit kort geding een wijziging te bepalen; het vereiste spoedeisend belang bij die vordering ontbreekt. Bovendien zijn partijen verwezen naar mediation en kunnen zij in dat kader zelf nieuwe afspraken maken onder professionele begeleiding. Daarnaast is tussen partijen ook een bodemprocedure aanhangig waarin op korte termijn een mondelinge behandeling plaats zal vinden. Indien partijen er niet in slagen om in mediation tot nieuwe afspraken te komen, kan de rechter in de bodemprocedure hierop een beslissing nemen. Tot dan blijft het arrest van het hof van 10 maart 2026 leidend en dient de aldaar vastgestelde omgangsregeling door beide partijen te worden nagekomen.
De voorzieningenrechter ziet onder de gegeven omstandigheden geen aanleiding om de eerder opgelegde dwangsom te verhogen. Die staat al op € 300,- per overtreding, wat een voldoende prikkel moet zijn tot nakoming.
Nu partijen samen de ouders van [minderjarige] zijn wordt daarin aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in reconventie
verplicht de vrouw de man ten minste twee dagen voorafgaand aan een omgangsmoment eigener beweging te informeren over haar keuze voor de overdracht;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
ncg