Kinderalimentatie en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 27 maart 2026 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Rijsdam te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.H.C. Houben.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in zowel de voorlopige voorzieningenprocedure (C/09/702364) als de bodemprocedure (C/09/702358).
Op 24 juli 2026 stond de behandeling van de voorlopige voorzieningenprocedure gepland. In overleg met partijen is gelet op de bereikte overeenstemming ook de bodemprocedure behandeld. Bij deze mondelinge behandeling zijn verschenen: de moeder in het bijzijn van haar advocaat en de vader in het bijzijn van zijn advocaat.
Op de zitting hebben de moeder en de vader de verzoeken in de voorlopige voorzieningenprocedure ingetrokken en beslist de rechtbank slechts op de verzoeken in de bodemprocedure.
Feiten
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.
Zij zijn de ouders van het nog minderjarige kind:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats].
[minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de moeder.
De vader en de moeder hebben het gezamenlijk gezag over [minderjarige].
Verzoek en verweer
De ouders zijn op de zitting in grote lijnen tot overeenstemming gekomen en hebben verzocht de overeengekomen regeling voor wat betreft de zorgregeling en de kinderalimentatie vast te leggen in de beschikking, waarbij de rechtbank alleen nog dient te beslissen op de ingangsdatum van de kinderalimentatie.
Beoordeling
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Op de zitting zijn de ouders een zorgregeling overeengekomen. Voor wat betreft de vakantie- en feestdagenregeling zijn de ouders overeengekomen dat het voorstel uit het verweerschrift van de vader zal gelden. Daarbij geldt als aanvulling dat vanaf het moment dat [minderjarige] naar school gaat, hij de eerste drie weken bij de ene ouder verblijft en de laatste drie weken bij de andere ouder. Ook zijn de ouders op de zitting een aanvullende feestdagen verdeling overeengekomen; onder meer de twee kerstdagen en oud&nieuw worden gedeeld. De rechtbank zal overeenkomstig deze regelingen beslissen.
Kinderalimentatie
De ouders zijn op de zitting overeengekomen dat de vader een bedrag van € 250,- aan de moeder betaalt als kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige]. Over de ingangsdatum konden de ouders het niet eens worden. De rechtbank dient hier dan ook nog op te beslissen.
Ingangsdatum
De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank stelt vast dat de moeder onweersproken heeft gesteld dat zij op 23 februari 2026 de vader heeft aangeschreven met het verzoek om een onderhoudsbijdrage voor [minderjarige] te voldoen. Ouders waren toen al enkele maanden uit elkaar. De rechtbank is van oordeel dat de vader er daarom vanaf 1 maart 2026 rekening mee heeft kunnen houden dat hij aan de moeder een onderhoudsbijdrage moest voldoen. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de vader dat hij in de beginperiode ook kleding voor [minderjarige] heeft gekocht. De verblijfsoverstijgende kosten waarvoor kinderalimentatie wordt betaald, bevatten immers meer dan alleen de kosten van kleding. De rechtbank stelt daarom 1 maart 2026 als ingangsdatum voor de betaling van de overeengekomen kinderalimentatie vast.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de volgende reguliere zorgregeling geldt:
iedere week van maandag 18:30 uur tot donderdag 08:30 uur verblijft [minderjarige] bij de moeder;
iedere week van donderdag 08:30 uur tot vrijdag 18:30 uur verblijft [minderjarige] bij de vader;
iedere week van vrijdag 18:30 uur tot zaterdag 18:30 uur verblijft [minderjarige] bij de moeder;
de ene week verblijft [minderjarige] van zaterdag 18:30 uur tot maandag 18:30 uur bij de moeder en de andere week verblijft [minderjarige] diezelfde dagen en tijden bij de vader;
bepaalt dat de volgende vakantie- en feestdagenregeling geldt, waarbij [minderjarige] verblijft:
in de even jaren
in de voorjaarsvakantie bij de vader;
in de meivakantie de eerste week bij de moeder is en als hij twee weken vakantie heeft de tweede week bij de vader verblijft;
in de zomervakantie:
totdat [minderjarige] naar school gaat: de eerste twee weken bij de vader en de laatste twee weken bij de moeder, de rest van de vakantie conform reguliere zorgregeling;
vanaf het moment dat [minderjarige] naar school gaat: de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder;
in de herfstvakantie bij de vader;
Sinterklaas bij de moeder;
in de kerstvakantie de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader;
Eerste Kerstdag bij de vader;
Tweede Kerstdag bij de moeder;
Oudjaarsdag bij de vader en de erop volgende Nieuwjaarsdag bij de moeder;
in de oneven jaren
in de voorjaarsvakantie bij de moeder;
in de meivakantie de eerste week bij de vader en als hij twee weken vakantie heeft de tweede week bij de moeder;
in de zomervakantie:
totdat [minderjarige] naar school gaat: de eerste twee weken bij de moeder en de laatste twee weken bij de vader, de rest van de vakantie conform reguliere zorgregeling;
vanaf het moment dat [minderjarige] naar school gaat: de eerste drie weken bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader;
in de herfstvakantie bij de moeder;
Sinterklaas bij de vader;
in de kerstvakantie de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder;
Eerste Kerstdag bij de moeder;
Tweede Kerstdag bij de vader;
Oudjaarsdag bij de moeder en de erop volgende Nieuwjaarsdag bij de vader;
en waarbij de verjaardag van [minderjarige] wordt gevierd bij de ouder bij wie [minderjarige] op dat moment is volgens de reguliere zorgregeling en de verjaardagen van de ouders worden gevierd bij de ouder die jarig is;
*
bepaalt de door de vader met ingang van 1 maart 2026 aan de moeder te betalen alimentatie voor de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats], op € 250,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen, en met inachtneming van de jaarlijkse wettelijke indexering, voor het eerst per 1 januari 2027;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.