RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/707291 / JE RK 26-1068
Datum uitspraak: 28 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. M.S. Polat uit Rijswijk,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2].
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- [naam] namens de gecertificeerde instelling.
2. De feiten
De ouders zijn met elkaar gehuwd.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] verblijft bij [zorginstelling].
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 februari 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 20 februari 2027.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 april 2026 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 30 juli 2026.
3. Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van zes maanden. Ter zitting is het verzoek gewijzigd, in die zin dat wordt gevraagd om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor duur van zes maanden. Dit omdat de vorige machtiging uithuisplaatsing was verleend voor de categorie “gezinsgerichte voorziening”, terwijl het om de categorie “accommodatie van een jeugdhulpaanbieder” gaat. De gecertificeerde instelling verzoekt daarbij om de machtiging tot uithuisplaatsing voor drie maanden te verlenen en het verzoek voor het overige aan te houden. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling om het verzoek uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. Een (voortduring van de) uithuisplaatsing is noodzakelijk vanwege de ernstige zorgen over de opvoedingssituatie van [minderjarige] en de noodzaak om zijn ontwikkeling in een stabiele, veilige en pedagogisch afgestemde omgeving te waarborgen. De zorgen zijn onder meer gelegen in de omstandigheid dat de ouders onvoldoende kunnen aansluiten bij de behoeften en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] en in hun draagkracht. De gecertificeerde instelling vindt een gezinsopname noodzakelijk, zodat er binnen een begeleide setting kan worden gewerkt aan het versterken van de opvoedvaardigheden en het creëren van een stabiele en duurzaam veilige gezinssituatie. Hoewel de ouders bereid zijn om op dit vlak stappen te zetten, blijkt in de praktijk dat zij onvoldoende in staat zijn om duurzaam veranderingen vast te houden en hun eigen gedrag blijvend aan te passen. De ouders staan niet open voor een gezinsopname. Hoewel er recent positieve signalen zijn gekomen vanuit de ambulante hulpverlening in de thuissituatie van de ouders en de andere kinderen, is deze verandering nog onvoldoende bestendig om de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] duurzaam te kunnen waarborgen. Alternatieve vormen van patroon-doorbrekende hulpverlening worden momenteel onderzocht, maar hebben nog niet geleid tot een situatie waarin de risico’s voor [minderjarige] als voldoende verminderd kunnen worden beschouwd. Aan zorglogistiek is om advies gevraagd om een passende aanbieder te kunnen vinden. Sinds de uithuisplaatsing op 30 april 2026 maakt [minderjarige] een voorzichtige positieve ontwikkeling door. [minderjarige] profiteert van de begeleiding die hem wordt geboden en zijn negatieve gedrag is in frequentie en intensiteit afgenomen bij [zorginstelling]. Op school zijn er wel meer incidenten. Het is onduidelijk waar dit door komt. In overleg met de ouders is [minderjarige] aangemeld bij een woonvoorziening met behandeling bij [zorginstantie 1] en bij [zorginstantie 2], zodat hij op één plek zowel kan wonen als behandeling kan krijgen. Als in de tussentijd blijkt dat een gezinsopname toch mogelijk is, zal [minderjarige] niet verhuizen naar een andere woonvoorziening en gedurende de gezinsopname behandeling krijgen.
De komende periode moet er worden gewerkt aan het formuleren van voorwaarden voor thuisplaatsing, het versterken van de opvoedvaardigheden van de ouders en het verkrijgen van duidelijkheid over het perspectief van [minderjarige]. De jeugdbeschermer zal bekijken of de omgangsregeling met ouders verder uitgebreid kan worden. Mocht blijken dat er een diagnose van autisme bij [minderjarige] is vastgesteld, dan zal de gecertificeerde instelling ervoor zorgen dat de ouders hierover psycho-educatie krijgen. Tevens zal de huidige ambulante hulpverlening worden uitgebreid doordat er elke vier weken een gedragswetenschapper een terugkoppeling van de observaties zal geven aan de ouders.
4. De standpunten
Door en namens de moeder is ingestemd met het verzochte zolang [minderjarige] de juiste hulp krijgt. De ouders missen [minderjarige], maar ervaren ook meer rust voor de andere kinderen en henzelf. Hoewel [minderjarige] betere hulpverlening krijgt, ontvangt hij nog niet de hulp die hij nodig heeft. De moeder heeft gehoord dat er sprake zou van een diagnose van autisme. Het is belangrijk dat er zo snel mogelijk hulpverlening wordt gestart die beter bij de behoeften en wensen van [minderjarige] aansluit. Ook is het van belang dat de ouders psycho-educatie ontvangen, zodat zij leren hoe zij bij [minderjarige] kunnen aansluiten. Dit is des te belangrijker nu [minderjarige] heeft aangegeven dat hij het gevoel heeft niet bij het gezin te horen. De ouders staan open voor intensieve hulpverlening en zijn bereid om te werken aan hun opvoedvaardigheden. Een gezinsopname zou echter te intensief en ingrijpend zijn en ertoe leiden dat [minderjarige] en zijn broer uit hun vertrouwde omgeving worden gehaald. De ouders moeten de kans krijgen om aan de hand van minder ingrijpende alternatieven te laten zien dat zij voor de kinderen kunnen zorgen. Pas als dit onvoldoende resultaat heeft, moet er worden gekeken naar vervolgstappen. Het is van belang dat de omgang met [minderjarige] wordt uitgebreid in duur en dat er de komende drie maanden stappen gezet kunnen worden met passende hulpverlening voor zowel [minderjarige] als zijn ouders. De moeder staat op een wachtlijst voor hulpverlening vanuit de GGZ. Zij heeft met behulp van de gecertificeerde instelling een motivatiebrief geschreven om een urgentieverklaring voor een grotere woning te krijgen.
De vader sluit zich aan bij wat door en namens de moeder naar voren is gebracht. De vader merkt dat [minderjarige] rustiger is geworden, maar ook dat de omgang in het weekend voor hem te kort is.
5. De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
Op dit moment kan [minderjarige] nog niet thuis wonen. De ouders zijn nog niet in staat om [minderjarige] de rust, stabiliteit en regelmaat te bieden die hij nodig heeft. Er is ambulante hulpverlening in de thuissituatie aanwezig die de ouders observeert en adviseert met betrekking tot hun opvoedvaardigheden ten aanzien van de andere kinderen. De gedragswetenschapper zal intensiever betrokken worden, zodat de ouders hier meer van kunnen profiteren. Tegelijkertijd is het zeer belangrijk dat er op korte termijn bij [minderjarige] diagnostiek plaatsvindt, zodat hij de behandeling krijgt die hij nodig heeft. Mocht het zo zijn dat, zoals ook door de moeder is aangegeven, de diagnose van autisme is gesteld, dan is van groot belang dat de ouders zo snel mogelijk psycho-educatie krijgen, zodat zij leren hoe zij beter kunnen aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] en beter met zijn gedrag om kunnen gaan. [minderjarige] is aangemeld bij twee woon- en behandelplekken. Vooralsnog zien de ouders een gezinsopname nog niet zitten. De gecertificeerde instelling zoekt naar alternatieven, maar het is onzeker of er een geschikt alternatief gevonden kan worden. Het is van groot belang dat zowel de ouders als de gecertificeerde instelling een open houding blijven aannemen en dat zij, in overleg, uiteindelijk kiezen voor de optie die het meest in het belang van [minderjarige] is.
Aangezien de kinderrechter op de hoogte wil worden gehouden over de ontwikkelingen ten aanzien van de diagnostiek, de eventuele psycho-educatie, de woon- en behandelplek, de eventuele gezinsopname en de het verloop van het hulpverleningstraject, ziet de kinderrechter aanleiding om het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing toe te wijzen voor een periode van drie maanden. Het verzoek zal voor het overige worden aangehouden. De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken voorafgaand aan de volgende zitting een schriftelijke update te versturen, met daarin de huidige stand van zaken.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 28 juli 2026 tot 28 oktober 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, bij voorkeur bij mr. M.M. Meijrs, gelegen voor 28 oktober 2026;
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
- de gecertificeerde instelling;
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken voorafgaand aan voornoemde zitting een schriftelijke update zoals hierboven genoemd aan de rechtbank en de belanghebbenden te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026 door mr. M.M. Meijers, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier, en op schrift gesteld op 25 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.