RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.40635 (beroep)
NL26.40636 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , geboren op [geboortedag] 1987, van Iraanse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. H.L.M. Janssen),
en
(gemachtigde: mr. J.A. Westrate).
Procesverloop
Bij besluit van 14 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Op 5 augustus 2026 heeft de minister de rechtbank bericht dat eiser op 28 juli 2026 met onbekende bestemming is betrokken.
De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser op 6 augustus 2026 bericht met het verzoek om een reactie hierop.
De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank op 16 augustus 2026 laten weten dat eiser nog in Nederland is en het beroep wenst voort te zetten.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht niet verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.40635,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: NL26.40636,
- wijst het verzoek af.
De rechtbank, in alle zaken:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser is op 30 mei 2026 gehoord over een overdracht aan Zwitserland. Op 31 mei 2026 is een claim gelegd op Zwitserland. Op 1 juni 2026 heeft Zwitserland laten weten niet akkoord te gaan omdat Duitsland verantwoordelijk is.
3. Vervolgens heeft de minister op 1 juli 2026 een claim gelegd op Duitsland. Op 2 juli 2026 heeft de minister een brief naar de gemachtigde van eiser gestuurd over de ingang van het EU Migratiepact. In deze brief staat dat eiser vanaf 12 juni 2026 verplicht is om zijn volledige medewerking te verlenen en zo spoedig mogelijk alle elementen en informatie moet verstrekken die relevant zijn om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is. Verder staat in deze brief dat het eiser vrij staat om zelf nog aanvullende informatie in te brengen. In deze brief is eiser er niet expliciet op gewezen dat de minister niet langer van Zwitserland als verantwoordelijk land uitgaat maar van Duitsland. Ook is eiser niet expliciet gevraagd om zijn bezwaren met betrekking tot Duitsland naar voren te brengen.
4. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel 22 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Eiser had namelijk de gelegenheid moeten krijgen om de bevoegde autoriteiten naar behoren gemotiveerde redenen voor te leggen om hen te doen heroverwegen om artikel 35 van de Asiel- en migratiebeheerverordening toe te passen. Hierdoor is sprake van een onzorgvuldige voorbereiding. Vanwege dit gebrek is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten en motiveert daartoe als volgt.
5. In beroep heeft eiser alsnog zijn bezwaren ten aanzien van Duitsland naar voren gebracht. Eiser heeft onder andere aangevoerd dat ten aanzien van Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij heeft gesteld dat hij in Duitsland langdurig ernstige problemen heeft ondervonden en dat hij vreest dat Duitsland zich niet aan zijn verdragsverplichtingen zal houden. Ook vreest hij voor indirect refoulement naar Iran. Verder heeft hij gesteld dat hij in Duitsland niet de benodigde zorg heeft ontvangen en is gediscrimineerd. Ter zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Verder heeft de minister aangevoerd dat eiser zijn ondervonden problemen niet heeft onderbouwd.
6. De minister mag er in het algemeen op vertrouwen dat de lidstaten die partij zijn bij de Asiel- en migratiebeheerverordening, waaronder ook Duitsland, hun internationale verplichtingen nakomen. Dit betekent dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van eiser na overdracht aan Duitsland in overeenstemming is met de bepalingen uit het EVRM, het Handvest en het Vluchtelingenverdrag. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertonen dat zij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico lopen op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Van een schending van de voormelde bepalingen zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het Duitse asiel- en opvangsysteem, pas sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
7. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. De Afdeling heeft geoordeeld dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De door eiser gestelde omstandigheden die hij in Duitsland heeft meegemaakt heeft hij niet verder uitgewerkt dan wel onderbouwd. De aangevoerde omstandigheden maken daarom niet dat de asielprocedure of het opvangsysteem in Duitsland een fundamentele systeemfout bevat die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt. Er is daarom geen reden voor het oordeel dat ten aanzien van Duitsland niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daar komt bij dat Duitsland het overnameverzoek heeft geaccepteerd en hierbij garandeert dat de asielaanvraag van eiser in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen. Als eiser in Duitsland worden geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag of problemen ervaart ten aanzien van zijn opvang, ligt het op zijn weg hierover bij de Duitse autoriteiten te klagen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de Duitse autoriteiten niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Voor een beoordeling van het door eiser gestelde risico op indirect refoulement in het geval hij door Duitsland worden teruggestuurd naar Iran, is binnen deze procedure verder geen ruimte. De rechter van een verzoekende lidstaat mag in het kader van het overdrachtsbesluit volgens de rechtspraak van het Hof en de Afdeling namelijk niet toetsen aan het risico op refoulement bij terugkeer naar het land van herkomst, tenzij ten aanzien van de aangezochte lidstaat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Omdat onder 7. is overwogen dat in het geval van eiser nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland, is er geen reden om aan te nemen dat eiser risico loopt op indirect refoulement als hij wordt teruggestuurd naar Iran. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het besluit onzorgvuldig is voorbereid. De rechtbank ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat eiser in beroep alsnog zijn bezwaren ten aanzien van overdracht aan Duitsland naar voren heeft kunnen brengen.
10. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de
voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
11. Vanwege het onder 4. geconstateerde gebrek veroordeelt de rechtbank
verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2026 door mr. J.C.E. Krikke, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen twee weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.