RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] ,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.8577
V-nummer: [v-nummer]
geboren op [geboortedag] 1993, van Somalische nationaliteit, verzoekster
(gemachtigde: mr. C.H.M. Koster),
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
1. Bij besluit van 16 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster voor een verblijfsvergunning afgewezen. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat zij hangende de bezwaarprocedure rechtmatig in Nederland kan verblijven.
2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awbuitspraak zonder zitting.
Overwegingen
3. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. Op 21 juli 2026 heeft de minister de voorzieningenrechter laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat in de bezwaarprocedure van uitzetting van verzoekster moet worden afgezien. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen als kennelijk gegrond en de uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
6. Omdat het verzoek wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat de minister het door verzoekster betaalde griffierecht van € 200,- aan haar vergoedt. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,-
(1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat de minister wordt verboden verzoekster uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoekster te vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.