RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46806
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 14 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 18 augustus 2026 zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 24 augustus 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 25 augustus 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Kenbare bekendmaking maatregel
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
Toetsingskader
1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
2. Eiser voert allereerst aan dat de maatregel onvoldoende kenbaar aan hem bekend is gemaakt. Eiser is analfabeet. Daarbij is het verlengingsbesluit niet vertaald, maar is slechts sprake van een standaard maatregel in het Arabisch.
3. Anders dan eiser aanvoert heeft verweerder de maatregel van vreemdelingenbewaring voldoende kenbaar aan eiser bekendgemaakt. Zo is het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel met een registertolk in een voor eiser begrijpelijke taal afgenomen en heeft eiser verklaard de tolk goed te kunnen verstaan. Tijdens dit gehoor heeft eiser aangegeven analfabeet te zijn, waarna de gronden waarop de maatregel is gestoeld aan hem zijn uitgelegd en zijn voorgehouden. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser voldoende is geïnformeerd over de maatregel van vreemdelingenbewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. In de aan eiser opgelegde maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
- a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; - b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; - c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; - h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; - p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; - r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; - s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser betwist de gronden a, b, c, h, p en r. Hij voert aan dat zijn identiteit en nationaliteit bekend zijn vanwege een kopie van zijn paspoort, identiteitskaart en een oud lp dat in het dossier van eiser zit. Eiser heeft in voldoende mate zijn medewerking verleend. Eiser heeft op grond van artikel 62a, derde lid, van de Vw de mogelijkheid om in een andere lidstaat een asielaanvraag in te dienen. De motivering met betrekking tot de gronden a en b dat dit niet mogelijk is, is onjuist. Eiser heeft verklaard dat hij bereid is om terug te keren en een voorkeur heeft voor Spanje. Eiser heeft na afwijzing van zijn asielaanvraag in 2025, opnieuw een asielaanvraag ingediend in Spanje. Deze aanvraag dient gelijk te worden gesteld met toestemming van verblijf als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, dan wel verordening. Eiser had daarom op grond van artikel 62a, derde lid, van de Vw een bevel tot terugkeer naar Spanje behoren te krijgen. Eiser heeft een adres in Nederland zodat een meldplicht kan volstaan en verweerder heeft niet onderzocht of eiser zich aan een meldplicht zou houden.
6. Verweerder heeft in het verweerschrift te kennen gegeven grond r te laten vallen.
7. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gronden a en b feitelijk juist. Eiser is zonder geldig grensoverschrijdend document Nederland ingereisd, terwijl tegen hem een inreisverbod van kracht was. Daarbij heeft hij geen melding gemaakt van zijn onrechtmatige verblijf en heeft hij verklaard na het aan hem opgelegde terugkeerbesluit te zijn doorgereisd naar Spanje en daarmee heeft hij zich zonder toestemming naar een andere lidstaat begeven. Ook grond c is feitelijk juist. Eiser beschikt niet over een geldig identiteitsdocument. De kopieën waar eiser naar verwijst, alsmede de in het verleden verstrekte lp leiden niet tot een ander oordeel. Daarbij heeft eiser verklaard dat zijn paspoort bij een vriend ligt, maar weigert hij dit paspoort te overleggen en wenst hij niet te spreken over zijn land van herkomst. Ook grond h is terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. Eiser heeft herhaaldelijk verklaard niet uit eigen beweging te zullen vertrekken naar Marokko en dat hij sinds 2015 de Europese Unie niet heeft verlaten. Dat eiser een lopende asielaanvraag heeft in Spanje en hieruit rechtmatig verblijf in Spanje volgt, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat uit navraag bij de Spaanse autoriteiten is gebleken dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft en dat uit een onderzoek van 19 augustus 2026 bij de Spaanse autoriteiten opnieuw is gebleken dat eiser niet beschikt over een geldig verblijfsrecht aldaar. Beide asielaanvragen van eiser in Spanje zijn afgewezen, dus verweerder was niet gehouden eiser een terugkeerbevel naar Spanje te geven. Ook grond p is terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd nu eiser geen documenten heeft als bedoeld in artikel 4.21 Vb en geen melding heeft gemaakt van zijn onrechtmatige verblijf. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen is het risico op onttrekking gegeven. Arrest Aroja en het verlengingsbesluit
8. Eiser betwist of een maatregel van vreemdelingenbewaring tevens mag gelden als een verlengingsbesluit. Er is door verweerder niet kenbaar en controleerbaar gemotiveerd dat eiser voorafgaand aan de maatregel al zes maanden op grond van hetzelfde terugkeerbesluit in bewaring verbleef en dat daarom verlenging aan de orde was. Indien sprake is van verlenging, had volgens eiser een afzonderlijk en verzwaard gemotiveerd verlengingsbesluit moeten worden genomen met een belangenafweging. Hiervan is geen sprake.
9. Uit het arrest Aroja volgt onder meer dat de maximale duur van bewaring ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit niet meer dan achttien maanden mag bedragen. Daarbij moeten alle afzonderlijke periodes van bewaring die in het kader van datzelfde terugkeerbesluit zijn opgelegd, bij elkaar worden opgeteld. Daarnaast kan uit rechtsoverwegingen 56 en 87 van dit arrest worden afgeleid dat vóór het vestrijken van de (gecumuleerde) oorspronkelijke maximale termijn van zes maanden een besluit tot verlenging moet zijn genomen. Uit dit arrest volgt echter niet dat het verlengingsbesluit noodzakelijkerwijs in een afzonderlijk besluit dient te worden genomen. Eiser heeft kennis kunnen nemen van het verlengingsbesluit en hiertegen beroep kunnen instellen. Daar heeft eiser gebruik van gemaakt door het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring ook te richten tot het verlengingsbesluit. Voor zover eiser betwist dat dezelfde gronden zowel ten grondslag kunnen worden gelegd in de maatregel van vreemdelingenbewaring, als het verlengingsbesluit, overweegt de rechtbank dat door eiser wordt onderkend dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tevens een verlengingsbesluit is en hiertegen gronden zijn gericht. In het verlengingsbesluit is voldoende gemotiveerd waarom tot verlenging is overgegaan, namelijk omdat de termijn van zes maanden bijna was verstreken en er geen minder doeltreffende middelen konden worden aangewend om te zorgen dat eiser gehoor geeft aan zijn vertrekverplichting. Te meer omdat eiser gedurende zijn verblijf in Nederland de afgelopen elf jaar hieraan geen toepassing heeft gegeven en eiser weigert om zijn medewerking te verlenen aan een terugkeer naar zijn land van herkomst. Hieruit volgt genoegzaam dat verweerder een belangenafweging heeft gemaakt in het licht van het arrest Aroja. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet. Zicht op uitzetting
10. Tot slot heeft eiser betoogd dat verweerder ten onrechte niet heeft gemotiveerd dat uitzetting van eiser binnen een redelijke termijn realiseerbaar is. Een standaard motivering is daarvoor onvoldoende.
11. Anders dan eiser aanvoert heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het algemeen en ook in het geval van eiser niet ontbreekt. Daarbij heeft eiser geen feiten of omstandigheden aangevoerd waarom dit voor hem niet aanwezig is. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.
12. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 27 augustus 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.