RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46235
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
(gemachtigde: mr. A. van Midden).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 12 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat verweerder op 19 augustus 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring heeft opgeheven.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 21 augustus 2026 om 10:45 uur gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Omdat de vreemdelingenbewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband beoordeelt de rechtbank onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Verweerder acht de vreemdelingenbewaring noodzakelijk met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (sub a) en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag (sub b).
In de maatregel heeft verweerder ter onderbouwing van het onderduikrisico als gronden zoals bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 200 (Vb) vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Hij voert hiertoe kort samengevat aan dat de gronden a, b, p, r en s niet langer actueel zijn en eiser niet kunnen worden tegengeworpen omdat hij is overgedragen door de Zwitserse autoriteiten. Eiser is daardoor legaal ingereisd en is niet in de gelegenheid geweest om zich bij de autoriteiten te melden. Verder betwist eiser dat hij niet meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit en meent hij dat bewaring niet kan worden ingezet om een dergelijke medewerking af te dwingen (sub c).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de gronden a en b zich feitelijk voordoen. Eiser heeft verklaard dat hij in 2023 illegaal de Europese Unie is ingereisd en is onder andere op 5 november 2023 met onbekende bestemming (mob) vertrokken (grond a). Dat eiser nu door middel van een overdracht vanuit Zwitserland is ingereisd, doet niet af aan deze eerdere illegale inreis en mob-melding. Daarnaast heeft eiser op 1 mei 2025 een terugkeerbesluit ontvangen waarin is opgenomen dat eiser Nederland en een aantal andere Europese landen onmiddellijk moet verlaten. Eiser heeft hier geen gehoor aan gegeven (grond b). De gronden a en b zijn feitelijk juist en voldoende toegelicht. Dit betekent dat er voldoende gronden zijn om de maatregel te rechtvaardigen. Er vloeit namelijk een onderduikrisico uit voort. De rechtbank laat de overige gronden en hetgeen eiser daartegen heeft aangevoerd daarom onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder een lichter middel had moeten toepassen.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder. Alleen een verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat er, zoals onder 3.3. is overwogen, een risico bestaat dat eiser onderduikt. Verder heeft verweerder kunnen meewegen dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken en dat niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt is bevonden of dat bewaring voor eiser onredelijk bezwarend is. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.