RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,geboren op [datum],van Nigeriaanse nationaliteit,V-nummer: [nummer],
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4659
(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),
en
(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 15 februari 2024 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 21 januari 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister heeft verder het eerder opgelegde terugkeerbesluit gehandhaafd en aan eiser een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om voorlopige voorziening. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.
Voorgeschiedenis
4. Eiser heeft op 10 juli 2019 voor de eerste keer asiel aangevraagd in Nederland. De minister heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling van de asielaanvraag. De minister heeft eiser op 11 maart 2020 laten weten dat hij wordt opgenomen in de nationale procedure, omdat hij niet tijdig is overgedragen aan Italië.
5. Eiser heeft vervolgens op 1 juli 2020 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het kind van zijn tante in een waterput is gevallen, terwijl hij op het kind paste. Het kind is overleden en vervolgens hebben de vader van het kind en diens broer eiser aangevallen en met de dood bedreigd. Eiser is daarop vertrokken naar Benin City en nadat hij eind 2015/begin 2016 opnieuw is aangevallen door de vader van het kind, is eiser op 16 april 2016 uit Nigeria gevlucht. De minister heeft de aanvraag van eiser op 21 april 2021 afgewezen als kennelijk ongegrond. Deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft het beroep van eiser op 11 maart 2022 ongegrond verklaard. De Afdeling heeft het hoger beroep van eiser op 28 april 2022 ongegrond verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
6. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij biseksueel/homoseksueel is. Eiser heeft verklaard dat hij dat in zijn eerder procedure niet durfde te vertellen omdat hij bang was. Eiser stelt dat hij rond zijn 13e of 14e heeft ontdekt dat hij gevoelens had voor jongens. Eiser heeft in Nigeria een relatie gehad. In 2016 is eiser betrapt toen hij intiem was met zijn partner. Daarom is hij uit Nigeria gevlucht. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Nigeria problemen krijgt door zijn seksuele gerichtheid. Verder vreest eiser voor represailles van de mensenhandelaren die hem tijdens zijn vlucht hebben geholpen, omdat hij hen nog veel geld moet betalen.
Het bestreden besluit
7. Het relaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende relevante asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. homoseksuele gerichtheid;
3. problemen met de mensenhandelaren.
8. De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar de homoseksuele gerichtheid en de problemen met de mensenhandelaren niet. Eisers verklaringen over deze asielmotieven vormen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft volgens de minister allereerst tegenstrijdige verklaringen gegeven voor het pas in deze procedure aanvoeren van zijn homoseksuele gerichtheid. Verder heeft eiser tegenstrijdig verklaard over met wie hij relaties heeft gehad in Nederland, over zijn relatie met [naam] en [naam], over zijn eerste aanwezigheid bij de Pride en over zijn relatie en de betrapping in Nigeria. De minister vindt eisers verklaringen over wat hij uit de bijeenkomsten bij LHBTI organisaties haalt en over de ontdekking van zijn gevoelens voor jongens en wat dat met hem deed onpersoonlijk. Eiser weet ook niet waar de letters LHBTI/LGBTQ voor staan. De minister vindt verder dat eisers verklaringen over de problemen met de mensenhandelaren geen samenhangend en aannemelijk geheel zijn. Eiser heeft volgens de minister geen aannemelijke verklaring gegeven over waarom hij nu pas verklaart over zijn problemen met de mensenhandelaren. Verder heeft hij tegenstrijdig en onaannemelijk verklaard over de hulp die hij heeft gekregen en zijn de verklaringen over hoe hij in contact kwam met [naam] zeer vaag. Eiser kan ook niet onderbouwen dat hij problemen heeft met [naam] en weet de naam van de Arabische man niet aan wie hij geld zou zijn verschuldigd. Eisers aanvraag is kennelijk ongegrond verklaard, omdat het een opvolgende aanvraag is, die niet niet-ontvankelijk is verklaard. Toets door de rechtbank
9. In de arresten van 4 juni 2026 in de zaken Ebilum en Quotal heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europees recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom vol. Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?
10. Eiser stelt dat er onvoldoende rekening is gehouden met het referentiekader. Eiser is van eenvoudige komaf en vindt het moeilijk om gebeurtenissen in juiste chronologische volgorde te plaatsen. Daarom kan hem niet worden tegengeworpen dat hij januari 2023 heeft genoemd als maand waarin hij naar Pride is gegaan. Daarnaast hebben de gebeurtenissen lang geleden plaatsgevonden.
10. De rechtbank stelt vast dat de minister het referentiekader van eiser heeft uiteengezet in de besluitvorming. Uit het bestreden besluit volgt verder niet dat er onvoldoende rekening is gehouden met eisers referentiekader. De minister heeft zich in dit kader terecht op het standpunt gesteld dat het feit dat eiser van eenvoudige komaf is, niet maakt dat van eiser niet enige consistentie in de tijdlijn van zijn verklaringen mag worden verwacht. De minister merkt daarbij terecht op dat de verklaring van eiser dat hij in januari 2023 naar de Pride is gegaan, terwijl de Pride in augustus plaatsvindt, een verschil tussen zomer of winter betreft en niet ziet op eisers vermogen om te verklaren over data dan wel op zijn opleidingsniveau. De rechtbank ziet in de enkele stelling dat eiser het moeilijk vindt om gebeurtenissen in chronologische volgorde te plaatsen geen aanleiding voor een ander oordeel. Dat de gebeurtenissen lang geleden hebben plaatsgevonden, leidt evenmin tot een ander oordeel. De rechtbank acht hierbij van belang dat de minister niet heeft tegengeworpen dat eiser geen concrete data weet te benoemen, maar dat van eiser enige consistentie is verwacht in de tijdslijn van de gebeurtenissen. Heeft de minister de gerichtheid van eiser terecht ongeloofwaardig geacht?
10. Eiser stelt verder dat hij zijn seksuele gerichtheid aannemelijk heeft gemaakt en dat hij in lijn met de thema’s uit Werkinstructie (WI) 2019/17 heeft verklaard. Dat eiser op punten wellicht niet altijd gedetailleerd dan wel consistent is geweest tijdens de gehoren doet niet af aan het feit dat hij in grote lijnen geloofwaardig heeft verklaard over zijn gevoelens en gedachten. Waar er onduidelijkheden waren, heeft eiser deze verder opgehelderd in de correcties en aanvullingen. Eiser stelt ook dat hij in Nigeria zijn seksuele geaardheid had geaccepteerd, maar dat hij dit niet in het openbaar kon uiten. Pas nadat hij contact heeft gehad met zijn advocaat, durfde hij zijn geaardheid in het openbaar te uiten. Na zijn contacten met de lhbti-gemeenschap en nadat hij een relatie heeft gekregen durfde hij zich te uiten, zodat niet kan worden tegengeworpen dat eiser niet eerder heeft verklaard over zijn geaardheid. Toen eiser het M35-O formulier heeft ingevuld, had eiser twee relaties en wist hij niet dat de relatie met zijn huidige partner bestendig zou zijn, waardoor eiser hem niet heeft genoemd in het M35-O formulier. Eiser heeft verder een e-mail van zijn partner [naam] overgelegd waaruit volgt dat eiser en hij een liefdesrelatie hebben. Daarbij heeft eisers partner een verblijfsvergunning gekregen op basis van zijn geaardheid. Hiermee is onvoldoende rekening gehouden. Eiser heeft verder kennis van de situatie voor lhbti’ers in Nigeria en in Nederland en hij heeft contacten binnen de gemeenschap in Nederland. Eiser zou hierdoor het voordeel van de twijfel moeten krijgen.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig is. De minister heeft terecht tegengeworpen dat eisers verklaringen over het later aandragen van zijn gerichtheid tegenstrijdig en wisselend zijn. Eiser heeft verklaard dat hij eerder bang was om te verklaren over zijn geaardheid. De minister heeft vervolgens aan eiser gevraagd wat maakte dat eiser, ondanks de angst, toch besloten heeft om open te zijn over zijn geaardheid. Eiser heeft aangegeven dat hij zich veilig voelde vanaf het moment dat hij zag dat Sandro een groep organiseerde voor homoseksuele mannen en hij hoorde dat het niet gevaarlijk was. Nadat hij ontdekte dat er een plek is voor mensen zoals hij, wilde hij zijn geaardheid naar buiten brengen. Vervolgens heeft eiser verklaard dat hij zijn advocaat eerst heeft verteld over zijn geaardheid, hierna naar Ter Apel is gegaan en daar Sandro heeft ontmoet. Het onderscheid dat eiser maakt tussen het zich durven uiten en het zich in het openbaar durven uiten kan aan deze tegenstrijdigheid niet af doen. Eiser heeft immers verklaard dat hij zijn gerichtheid naar buiten wilde brengen nadat hij Sandro heeft ontmoet, terwijl eiser eveneens aangeeft dat hij het eerder met zijn advocaat heeft gedeeld en zijn gerichtheid hierdoor naar buiten wilde brengen. De minister heeft verder terecht tegengeworpen dat eisers verklaringen over zijn relaties met [naam] en [naam] tegenstrijdig zijn. Eiser heeft verwezen naar [naam] als zijn belangrijkste relatie, maar [naam] is niet als partner genoemd op het M35-O formulier. Dat eiser toen niet wist of de relatie bestendig zou zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser had immers al een jaar een relatie met hem, zodat niet in te zien valt dat eiser hem niet zou hebben genoemd als partner.
14. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het zwaartepunt bij de beoordeling van het asielmotief bij de verklaringen van eiser ligt. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de mail van [naam] en het feit dat hij een verblijfsvergunning heeft gekregen niet maakt dat eisers gerichtheid geloofwaardig moet worden geacht. Uit de brief volgt weliswaar dat [naam] een relatie zou hebben met eiser, maar deze brief is niet objectief verifieerbaar en kan niet opwegen tegen de tegenstrijdige en onpersoonlijke verklaringen van eiser. Het feit dat de gerichtheid van [naam] geloofwaardig is geacht, zegt daarbij niets over de geaardheid van eiser. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eisers kennis van de situatie van lhbti’ers in Nigeria en Nederland evenmin maakt dat zijn geaardheid geloofwaardig moet worden geacht. In dit kader is terecht overwogen dat eiser niet weet of er lhbti-organisaties actief zijn in Nigeria, dat eiser algemeen en onpersoonlijk heeft verklaard over wat hij uit de lhbti-bijeenkomsten in Nederland heeft gehaald, terwijl hij inmiddels zo’n 16 bijeenkomsten zou hebben bijgewoond en dat hij niet wist waar de letters LHBTI/LGBTQ voor staan. De minister heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om eiser het voordeel van de twijfel te geven.
14. Naast hetgeen de rechtbank onder 15 en 16 heeft overwogen, stelt de rechtbank vast dat de minister verschillende tegenwerpingen heeft opgenomen in het bestreden besluit en dat een deel van deze tegenwerpingen niet zijn betwist door eiser. De rechtbank ziet in de enkele stelling dat eiser in grote lijnen geloofwaardig zou hebben verklaard en de algemene verwijzing naar de correcties en aanvullingen geen aanleiding voor het oordeel dat eiser in grote lijnen geloofwaardig zou hebben verklaard en dat eventuele onduidelijkheden zouden zijn opgehelderd in de correcties en aanvullingen. Heeft de minister de problemen met de mensenhandelaren terecht ongeloofwaardig geacht?
14. Eiser stelt dat hij de problemen met de mensenhandelaren aannemelijk heeft gemaakt. Eiser moet een aanzienlijk bedrag betalen aan het netwerk van mensenhandelaars. Hij voelt zich nog steeds bedreigd door het netwerk. Voor eiser is het moeilijk om te verklaren wat hij heeft meegemaakt door het netwerk. De minister heeft ten onrechte het risico vanwege het netwerk niet inhoudelijk beoordeeld.
14. De rechtbank is van oordeel dat de minister de problemen met de mensenhandelaars terecht ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de hulp die eiser heeft gehad en over de betrokken mensenhandelaars. De enkele stelling dat eiser het moeilijk vindt om te verklaren over wat hij heeft meegemaakt, een aanzienlijk bedrag moet betalen en zich bedreigd voelt, leidt gelet op de verschillende, concrete tegenwerpingen niet tot een ander oordeel. De minister heeft daarom kunnen afzien van het maken van een risicoanalyse. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt namelijk dat de minister daartoe alleen gehouden is als sprake is van een geloofwaardig bevonden relaas over mensenhandel. Daarvan is in het geval van eiser geen sprake.Conclusie en gevolgen
18. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Drenten-Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt en openbaar gemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.