RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33008
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Bij besluit van 10 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft verweerder eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
Bij aanvullend besluit van 10 juni 2026 (het aanvullende besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser de behandeling van zijn beroep en zijn verzoek om een voorlopige voorziening niet in Nederland mag afwachten.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit en het aanvullende besluit beroep ingesteld. Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om hangende het beroep een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 18 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:18504, heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiser toegewezen en de voorlopige voorziening getroffen dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat is beslist op het beroep.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 en heeft de Algerijnse nationaliteit. Op 8 juni 2025 heeft hij een asielaanvraag ingediend in Nederland. Hieraan heeft hij – samengevat – ten grondslag gelegd dat hij een liefdesrelatie had met [persoon A] . Eiser heeft haar familie om haar hand gevraagd maar zij hebben dit niet geaccepteerd. Volgens eiser heeft hij vervolgens om haar familie voor het ‘blok’ te zetten het bed met [persoon A] gedeeld in het huis van de broer van eiser ( [broer eiser] ). Daarna is een gerechtelijke procedure tegen eiser gestart door de vader van [persoon A] . Bij vonnis van [datum 1] 2018 is eiser veroordeeld door de Algerijnse [tribunaal] in het kader van ‘misdemeanour affairs’ – volgens eisers verklaringen was [persoon A] achttienjaar en vier maanden toen zij seks met elkaar hadden en werd zij volgens Algerijnse wetgeving als minderjarige beschouwd – tot een gevangenisstraf van twee jaar en een geldboete. [persoon A] ’s familie is echter uit op eerwraak. Zij hebben het huis waar eiser woonde en dat van zijn broer meermaals aangevallen en vernield. Later is eiser gestoken door een kennis van [persoon A] ’s familie. Daarna is eiser uit Algerije vertrokken. Hij vreest bij terugkeer slachtoffer te worden van eerwraak van [persoon A] ’s familie. Zijn broer [broer eiser] was ook uit Algerije vertrokken en is daarna teruggekeerd. [broer eiser] is vanwege de eerwraak – aangezien hij zijn huis ter beschikking stelde aan eiser – door [persoon A] ’s familie vermoord toen hij terugkeerde. Ter onderbouwing daarvan heeft eiser een overlijdensakte van [datum 2] 2022 overgelegd. Eiser vreest bij terugkeer voor hetzelfde lot.
2. Bij besluit van 14 augustus 2025 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen. Verweerder heeft daarbij de volgende relevante elementen vastgesteld en beoordeeld:
1) de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
2) eisers problemen naar aanleiding van zijn relatie met [persoon A] .
De relevante elementen zijn geloofwaardig geacht, met daarbij een nuance: verweerder volgt eiser in zoverre dat [persoon A] ’s familie hem hebben gezocht bij hem thuis en het huis van zijn broer. Dat eiser slachtoffer is geworden van een steekincident in opdracht van de familie heeft verweerder (uiteindelijk in de beroepsfase bij de rechtbank) ook aannemelijk geacht. Ook is geloofwaardig geacht dat eiser is veroordeeld door de Algerijnse rechtbank voor twee jaar gevangenisstraf en een geldboete. Dat de broer van eiser is vermoord acht verweerder voldoende onderbouwd, maar een onderbouwing dat [persoon A] ’s familie daarachter zit ontbreekt echter. De geloofwaardig geachte elementen leverde volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Vw. Dit omdat A) eiser ten aanzien van de problemen met [persoon A] ’s familie de bescherming van de Algerijnse autoriteiten kan inroepen en niet is gebleken dat dit bij voorbaat zinloos is en B) de veroordeling tot een gevangenisstraf van twee jaar een commuun delict betreft en niet te herleiden is tot een vervolgingsgrond. Bij uitspraak van 2 december 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, ECLI:NL:RBDHA:2025:22988, is het door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 mei 2026 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), ECLI:NL:RVS:2026:2817, is de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
3. Vervolgens heeft eiser op 27 mei 2026 een opvolgende asielaanvraag ingediend.
Eiser beoogt met deze aanvraag aannemelijk te maken dat hij de bescherming van de Algerijnse autoriteiten tegen [persoon A] ’s familie niet kan inroepen. Eiser heeft aan deze aanvraag ten grondslag gelegd dat zijn vader in december 2025/januari 2026 opnieuw is lastig gevallen door [persoon A] ’s familie; zij hebben naar eiser gevraagd en gezegd hem te zullen vermoorden, net als dat zij eisers broer hebben vermoord. Vervolgens heeft eisers vader (via een advocaat) opnieuw een verzoek ingediend bij de Algerijnse autoriteiten, ditmaal een ‘Request of intervention’, nadat eerst een verzoek ‘Opening an investigation’ was ingediend. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser verschillende documenten met vertaling overgelegd:
Engelse vertaling van het vonnis van de rechtbank van [datum 1] 2018;
Verklaring van buren van 28 januari 2022;
Vonnis in een civiele vordering van 8 mei 2023 van rechtbank van [district] ;
Een schriftelijk verzoek ‘Opening an investigation’ van 24 november 2024 ‘To The Public Prosecutor of the Tribunal of [stad] ’;
Een schriftelijk verzoek ‘Request of intervention’ van 5 januari 2026 ‘To The Public Prosecutor of the Court of [stad] ’;
Verklaring van eisers vader, dagtekening 7 januari 2026.
Volgens eiser is naar aanleiding van de schriftelijke verzoeken geen daadwerkelijk onderzoek op gang gekomen. Daaruit leidt hij af dat de Algerijnse autoriteiten hem geen effectieve bescherming bieden tegen de familie van [persoon A] .
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat sprake is van een opvolgende aanvraag waarbij geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Verweerder heeft verder een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat vanwege zijn in [land] verblijvende vrouw en diens kinderen het inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. In het bestreden besluit staat dat eiser hangende een beroep bij de rechtbank de voorzieningenrechter kan vragen om een voorlopige voorziening te treffen en dat hij de behandeling van deze voorlopige voorziening in Nederland mag afwachten. Het aanvullende besluit betreft een wijziging van dit onderdeel van het bestreden besluit: volgens verweerder heeft eiser de opvolgende asielaanvraag enkel ingediend om zijn uitzetting te vertragen of te voorkomen en mag hij de behandeling van de voorlopige voorziening niet in Nederland afwachten; verweerder heeft daarmee artikel 7.3, tweede lid, in verbinding met artikel 3.1, tweede lid, onder e, van het Vreemdelingenbesluit 2000 toegepast – thans gewijzigd.
Het oordeel van de rechtbank
5. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026. Dit volgt uit artikel 79, tweede lid, van Verordening (EU) 2024/1348 (de Procedureverordening).
Beroepsgrond tegen het aanvullende besluit
6. Eiser heeft de beroepsgrond dat het aanvullende besluit onrechtmatig is, omdat hij de opvolgende aanvraag niet heeft ingediend enkel om zijn uitzetting te vertragen of te voorkomen, ter zitting laten vallen, aangezien de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening heeft toegewezen waardoor eiser de uitkomst van het beroep in Nederland mocht afwachten. De rechtbank bespreekt deze grond daarom niet inhoudelijk.
Heeft verweerder de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard?
7. Volgens eiser zijn wél nieuwe documenten overgelegd die relevant zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag. Deze documenten tonen volgens eiser aan dat de pogingen die zijn familie heeft ondernomen om bescherming te verkrijgen tegen de familie van [persoon A] , niet serieus worden genomen door de autoriteiten. Zijn vader heeft een advocaat in de armen genomen die nu tweemaal geprobeerd heeft te bewerkstelligen via de rechtbank dat er een onderzoek wordt ingesteld. Dat is tot op heden niet gelukt. Volgens eiser is daarmee aangetoond dat de Algerijnse autoriteiten niet bereid zijn om bescherming te bieden in eerwraakzaken. Daarnaast heeft eiser zich onder verwijzing naar algemene informatie op het standpunt gesteld dat de Algerijnse autoriteiten tekortschieten bij het bieden van effectieve bescherming in het kader eerwraak. In het algemeen wordt wetgeving voorgeschreven die in de bescherming voorziet, maar in de praktijk blijkt volgens eiser dat de Algerijnse autoriteiten eergerelateerde kwesties, buitenechtelijke relaties en familieruzies vaak als ‘privezaken’ bestempelen: slachtoffers of bedreigden die aangifte willen doen worden door de politie regelmatig weggestuurd. Wanneer een man de nacht doorbrengt met een meisje (buitenechtelijk), wordt dit gezien als een directe schending van de eer van haar familie. De autoriteiten treden in zulke gevallen zelden op tegen de bedreigde partij, omdat de publieke opinie en lokale agenten vaak moreel aan de kant van de ‘geschonden familie’ staan. Eiser heeft ter onderbouwing een beroep gedaan op een citaat uit een tijdschriftartikel (ASSM, Shaun Gabbey, 2024), waarin staat dat ‘historische en huidige gevallen van eerwraak gericht tegen mannen aantonen dat er diepgewortelde culturele normen bestaan die deze gewelddadigheden in stand houden; tijdens en na de Algerijnse burgeroorlog was geweld vanwege de familie-eer wijdverbreid; handhaving door de autoriteiten is vaak inconsequent vanwege culturele opvattingen en er bestaat een noodzaak voor brede maatschappelijke verandering’ (vrij geciteerd). Tot slot benadrukt eiser zijn vrees om slachtoffer te worden van eerwraak: zijn broer is bij terugkeer vermoord door de familie van [persoon A] en verweerder heeft de geloofwaardigheid daarvan niet betwist.
8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de documenten die eiser heeft overgelegd dezelfde kern betreffen van het asielrelaas: de gestelde problemen met de familie van [persoon A] , de dood van eisers broer [broer eiser] en de gestelde pogingen van zijn familie om bescherming te krijgen van de Algerijnse autoriteiten. Geloofwaardig is geacht dat eiser problemen heeft met de familie van [persoon A] . Het is echter niet geloofwaardig geacht dat de broer van eiser is vermoord door de familie van [persoon A] . Volgens verweerder tonen de stukken nog altijd niet aan dat eiser persoonlijk bescherming heeft gevraagd bij de Algerijnse autoriteiten en dat de bescherming door de autoriteiten aan hem is geweigerd. Het nieuw overgelegde stuk toont hooguit aan dat namens eisers familie verzoeken of klachten zijn ingediend, maar niet dat de Algerijnse autoriteiten bescherming definitief hebben geweigerd of dat alle beschikbare mogelijkheden of rechtsmiddelen zijn benut. Stukken afkomstig van de familiekring of op basis van hun informatie kunnen volgens verweerder ook niet zonder meer als objectieve onderbouwing worden aangemerkt. Ten aanzien van het beroep van eiser op algemene informatie rondom zorgen over de Algerijnse rechtsstaat, corruptie, politieoptreden of rechterlijke onafhankelijkheid heeft verweerder – in het bestreden besluit – gesteld dat daarmee niet zonder meer aannemelijk is dat eiser persoonlijk geen bescherming kan krijgen.
9. De rechtbank beoordeelt of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Met ‘nieuw’ wordt in dit verband bedoeld dat een document of de verklaring niet in het kader van de vorige asielprocedure is onderzocht (zie de uitspraak van de Afdeling van 15 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2699). Artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw vereist daarnaast dat de nieuwe elementen of bevindingen ‘relevant’ kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat een document echter niet zonder meer relevant is voor een opvolgende aanvraag louter als het betrekking heeft op een reden die aan de afwijzing van de eerdere aanvraag ten grondslag lag (zie de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:715, onder 3.6).
Eiser heeft niet geconcretiseerd welke van de onder 3 genoemde documenten volgens hem als nieuw en relevant moeten worden aangemerkt. De kern van zijn opvolgende aanvraag is dat in december 2025/januari 2026 opnieuw bij het huis van zijn vader naar hem is gevraagd. Volgens eiser blijkt daaruit dat nog steeds naar hem wordt gezocht vanwege de aan familie-eer gerelateerde problemen.
Deze gebeurtenis is ‘nieuw’, omdat zij zich na de eerdere procedure heeft voorgedaan. Deze gebeurtenis is echter niet zonder meer ‘relevant’ voor de vraag of eiser voor internationale bescherming in aanmerking komt. Dat eiser vanwege de eerwraak wordt bedreigd, is immers al geloofwaardig geacht. In de eerdere procedure is vastgesteld dat eiser tegen die bedreiging de bescherming van de Algerijnse autoriteiten kan inroepen en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat die bescherming voor hem niet beschikbaar is. Dat oordeel is in een recente uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2026 bevestigd en staat in rechte vast.
Naar aanleiding van de nieuwe bedreiging heeft eisers vader zich opnieuw tot een advocaat gewend, die een verzoek bij de Algerijnse autoriteiten heeft ingediend. Eiser heeft schriftelijke verklaringen overgelegd. De schriftelijke verklaring van 5 januari 2026 is ‘nieuw’, omdat het niet bij de eerdere besluitvorming kon worden betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder echter terecht gesteld dat dit document ook niet ‘relevant’ is voor de beoordeling van de aanvraag. Uit het document kan alleen worden afgeleid dat opnieuw om tussenkomst van de Algerijnse autoriteiten is verzocht. De uitkomst van de verzoeken aan de Algerijnse autoriteiten kan echter nog altijd niet worden vastgesteld op basis van hetgeen eiser heeft overgelegd en verklaard. Een voldoende onderbouwing dat de Algerijnse autoriteiten bescherming weigeren of dat eiser bij terugkeer geen toegang zal hebben tot politie, justitie of andere instanties die bescherming kunnen bieden, ontbreekt.
De overgelegde verklaring van eisers vader van 7 januari 2026 is weliswaar ‘nieuw’, maar ook daaruit volgt niet dat aannemelijk is dat de Algerijnse autoriteiten eiser niet zullen beschermen en dat alle beschikbare mogelijkheden of rechtsmiddelen zijn benut of in ieder geval niet zinvol zullen zijn.
Ten aanzien van de overige overgelegde documenten in het kader van eisers asielrelaas in deze opvolgende procedure overweegt de rechtbank dat deze verder niet nieuw zijn. Deze documenten hebben betrekking op gebeurtenissen die al bij het in rechte vaststaande besluit van 14 augustus 2025 zijn betrokken en (grotendeels) geloofwaardig zijn bevonden. Dit betreft de Engelse vertaling van het strafvonnis ten aanzien van eisers veroordeling en het schriftelijke verzoek van 25 november 2024. De verklaring van de buren over de destijds voorgevallen problemen was ten tijde van het nader gehoor van 8 augustus 2025 als bijlage overgelegd.
Ten aanzien van de algemene informatie over Algerije waarop eiser een beroep doet, overweegt de rechtbank het volgende. Volgens eiser volgt uit de overgelegde informatie dat de Algerijnse autoriteiten bij problemen rond buitenechtelijke relaties die kunnen leiden tot eerwraak onvoldoende optreden, omdat dergelijke problemen als een ‘privézaak’ of ‘familiezaak’ worden beschouwd. Verder heeft eiser informatie overgelegd over de herbeoordeling van Algerije als veilig land van herkomst. Daaruit volgt dat de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft geconcludeerd dat Algerije niet langer als veilig land van herkomst in de zin van de Procedurerichtlijn kon worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is deze informatie weliswaar nieuw, althans voor deze procedure, maar niet relevant voor de beoordeling van de opvolgende asielaanvraag. In de vorige procedure is immers vastgesteld dat tegen de geloofwaardig geachte problemen van eiser in zijn algemeenheid bescherming kan worden geboden door de Algerijnse autoriteiten. De Afdeling heeft dit oordeel bij uitspraak van 20 mei 2026 bevestigd. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat die bescherming in zijn individuele geval niet wordt geboden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7795, onder 2.1.2). Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat eiser daarin niet is geslaagd. Ook uit de door eiser overgelegde algemene informatie blijkt niet dat thans aanleiding bestaat om niet langer ervan uit te gaan dat bij eergerelateerd geweld bescherming van de Algerijnse autoriteiten kan worden ingeroepen. De ter zitting aangehaalde informatie over diepgewortelde culturele normen die eergerelateerd geweld in stand houden en over inconsequent optreden van de Algerijnse autoriteiten vanwege die opvattingen, is daarvoor onvoldoende. Objectieve informatie waaruit volgt dat de Algerijnse autoriteiten bescherming tegen eergerelateerd geweld in het algemeen weigeren of stelselmatig achterwege laten, ontbreekt. Dat Algerije sinds 2021 niet langer is aangewezen als veilig land van herkomst, maakt dit niet anders. Eiser heeft daarmee nog steeds niet aannemelijk gemaakt dat de Algerijnse autoriteiten hem in het algemeen of in zijn concrete geval geen bescherming kunnen of willen bieden.
10. Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, heeft verweerder terecht gesteld dat wat eiser heeft aangevoerd geen nieuwe elementen of bevindingen zijn die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van eisers asielaanvraag. Verweerder heeft de opvolgende asielaanvraag dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. De aangevoerde beroepsgronden slagen niet.
Uitkomst
11. Het beroep moet gezien het voorgaande ongegrond worden verklaard. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Feijtel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.