ECLI:NL:RBDHA:2026:24521

ECLI:NL:RBDHA:2026:24521

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-08-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer NL26.43676
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

vervolgberoep; kennisgeving; artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw; ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. H. Loth),

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.43676

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. M. Ruijzendaal).

Procesverloop

De minister heeft op 22 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Uit de uitspraak van deze zittingsplaats van 27 mei 2026 (in de zaak NL26.27264) volgt dat de bewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek op 26 mei 2026 rechtmatig was.

De minister heeft de rechtbank op 3 augustus 2026 door middel van een kennisgeving van de voortduring van de maatregel in kennis gesteld en een voortgangsrapportage overgelegd.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep, alsmede een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Eiser heeft op de kennisgeving een reactie gegeven. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Lichter middel/belangenafweging
Ambtshalve toetsing

1. Eiser stelt dat hij de Indiase nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1988.

Zicht op uitzetting

2. In beginsel werken de Indiase autoriteiten mee aan de terugkeer van vreemdelingen die uit dat land komen. Het dossier biedt geen aanknopingspunten voor de

veronderstelling dat dat in het geval van eiser anders zou zijn. Sterker nog, uit het dossier blijkt dat de Indiase autoriteiten de aanvraag voor de afgifte van een laissez passer (lp) ten behoeve van eiser op 15 juli 2026 in behandeling hebben genomen. Ook is gebleken dat de Indiase autoriteiten beschikken over een paspoort van eiser. Gelet hierop is er vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat het zicht op uitzetting van eiser naar India ontbreekt. Dat de behandeling van de lp-aanvraag door de Indiase autoriteiten enige tijd kan duren, maakt dit oordeel niet anders. De beroepsgrond faalt derhalve.

Voortvarend handelen

3. Uit het dossier blijkt dat de minister frequent rappelleert bij de Indiase autoriteiten, laatstelijk op 26 juni 2026 en 16 juli 2026. Verder heeft de minister regelmatig een vertrekgesprek gevoerd met eiser, laatstelijk op 13 juli 2026 en 22 juli 2026. Ook heeft inmiddels een presentatie in persoon bij de Indiase autoriteiten plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat de minister in dit stadium niet méér of andere handelingen heeft kunnen verrichten die de uitzetting van eiser hadden kunnen bespoedigen. De minister handelt vooralsnog dan ook voldoende voortvarend aan die uitzetting.

4. In de genoemde uitspraak van 27 mei 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Dit risico in thans nog steeds aanwezig. Zo gelden de gronden waarop de maatregel van bewaring rust onverkort. Ook blijkt uit de vertrekgesprekken dat eiser niet wil terugkeren naar India en dat hij dan ook niet zelfstandig zal vertrekken uit Nederland. Er is daarom geen garantie dat de uitzetting van eiser zal worden gerealiseerd indien aan hem een lichter middel dan de maatregel van bewaring wordt opgelegd. Eiser heeft voorts geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die de minister ertoe hadden moeten brengen om met een lichter middel te volstaan. Er zijn geen feiten of omstandigheden die – gelet op de duur van deze bewaring – voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. De beroepsgronden slagen niet.

5. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig geworden.

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

10 augustus 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.J.A. Schaaf

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand