RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. L.M. Weber),
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.43759
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. M. Ruijzendaal).
Procesverloop
De minister heeft op 27 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 juli 2026 (in de zaak NL26.33003) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het
voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat er onvoldoende zicht op uitzetting bestaat. Eiser heeft vraagtekens bij het daadwerkelijke zicht op uitzetting, maar niet bij het virtuele zicht op uitzetting vanwege de afdelingsjurisprudentie bij onvoldoende medewerking. Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit, maar de procedure bij de Nigeriaanse autoriteiten lijkt definitief gesloten. De vertrekgesprekken met eiser lijken ook niets op te leveren. Eiser vraagt zich af op welke wijze de minister alsnog tot uitzetting wil komen nu de bewaring van eiser slechts uitzetting tot doel mag hebben.
5. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt. In beginsel bestaat er zicht op uitzetting naar Nigeria. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat in zijn specifieke geval niet zo zou zijn. De omstandigheid dat de Nigeriaanse autoriteiten tot nu toe nog geen laissez passer (lp) ten behoeve van zijn uitzetting hebben afgegeven, maakt dit oordeel niet anders. Uit het dossier blijkt namelijk dat eiser twee keer geen of onvoldoende medewerking heeft verleend aan zijn presentatie bij de Nigeriaanse autoriteiten. Zo heeft hij geweigerd om Engels te spreken. Het onderzoek van de Nigeriaanse autoriteiten naar aanleiding van de lp-aanvraag loopt overigens nog. In ieder geval hebben de Nigeriaanse autoriteiten tot nu toe niet aangegeven dat zij deze aanvraag afwijzen. Overigens geldt dat op eiser de verplichting rust om actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen en verstrekken van concrete en verifieerbare gegevens en informatie, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Eiser heeft tot op heden niet of onvoldoende aan deze verplichting voldaan. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig geworden.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van A.F. Klomp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
10 augustus 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.