ECLI:NL:RBDHA:2026:24527

ECLI:NL:RBDHA:2026:24527

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-08-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer NL26.43616
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewaring, kennisgeving, intrekking van het beroep, schadevergoeding en proceskostenveroordeling, gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.43616

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),

en

(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

Omdat de vreemdelingenbewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband beoordeelt de rechtbank onder meer aan de hand van de beroepsgrond van eiser of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:

Vw: Vreemdelingenwet 2000

Vb: Vreemdelingenbesluit 2000

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 31 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Verweerder heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.

Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

Verweerder heeft op 5 augustus 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven.

De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2026 op zitting behandeld.

Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. Verweerder kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als de vreemdeling:

1) in vreemdelingenbewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn;

2) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad; en

3) op redelijke gronden aangenomen kan worden dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.

Bij de beoordeling of sprake is van een dergelijke aanvraag worden alle omstandigheden van het geval betrokken, waaronder met name:

a) of de vreemdeling eerder een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft gedaan;

b) de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kenbaar heeft gemaakt in het licht van zijn verklaringen hieromtrent;

c) de omstandigheden waaronder de vreemdeling is aangetroffen dan wel zijn aanvraag kenbaar heeft gemaakt;

d) of de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem ter zake van een inreisverbod gesignaleerd staat; e) de gestelde nationaliteit in het licht van de toepassing van artikel 30b, eerste lid, onder b van de Vw;

f) de onderbouwing van de aanvraag.

Daarnaast kan verweerder in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is ten behoeve van de handhaving van de opgelegde maatregel tot het beperken van de bewegingsvrijheid bedoeld in artikel 56, eerste lid, in het geval de vreemdeling die maatregel niet naleeft en het onderduikrisico blijft bestaan.Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig indien een vreemdeling zich niet heeft gehouden aan de opgelegde maatregel ter beperking van beweging van de vrijheid, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw en het onderduikrisico blijft bestaan alsmede dat daarbij ten minste een van de andere gronden voor een onderduikrisico, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, zich voordoet.

Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt verweerder de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Verweerder heeft deze maatregel opgelegd omdat eiser (1°) in vreemdelingenbewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.

De intrekking van het beroep en het aanbieden van proceskosten

5. Eiser verzoekt de rechtbank te beoordelen of het beroep van eiser dat is ingeleid door een kennisgeving kan worden ingetrokken. Voorts wenst eiser aan de rechtbank voor te leggen of proceskosten hadden moeten worden aangeboden. Eiser meent dat er twee procespunten moeten worden aangeboden, één voor het verschijnen ter zitting en één voor de kennisgeving, omdat er op grond van artikel 94 van de Vw sprake is van een beroep.

Oordeel rechtbank

Schadevergoeding

6. Nu de onrechtmatigheid van het bestreden besluit en de hoogte van de schadevergoeding niet in geschil zijn, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en de door verweerder reeds aangeboden schadevergoeding van 6 (dagen) x € 120,- = € 720,- toekennen.

Ten aanzien van het intrekken van een kennisgeving

7. De rechtbank overweegt dat een kennisgeving zoals bedoeld in artikel 94 van de Vw niet intrekbaar is zo lang de maatregel voortduurt, maar dat is in het geval van eiser niet aan de orde. In geval dat een maatregel ten tijde van de rechterlijke toets is opgeheven, vervalt de noodzaak tot een spoedige toetsing, omdat de beroepsprocedure in dat geval immers niet meer kan leiden tot opheffing van die maatregel en onmiddellijke invrijheidsstelling van de vreemdeling. De procedure van eiser die voorligt bij de rechtbank ziet enkel nog op de afhandeling van een verzoek om schadevergoeding. In dergelijke gevallen acht de rechtbank het in beginsel mogelijk dat de vreemdeling de kennisgeving intrekt, mede omdat over het algemeen genomen de vreemdeling voldoende in staat moet worden geacht om een afweging te maken met betrekking tot het al dan niet voortzetten van de procedure.

In dit geval is de maatregel van bewaring opgeheven op 5 augustus 2026. Verweerder heeft op diezelfde dag in een brief een schadevergoeding aan eiser aangeboden voor iedere dag dat de maatregel heeft geduurd. In het voorliggende geval acht de rechtbank eiser voldoende in staat om zelf af te wegen of hij zijn verzoek om een schadevergoeding voort wil zetten, of dat hij inschat dat dit geen grote kans van slagen heeft. De gemachtigde van eiser heeft in de beroepsgronden en ter zitting verklaard akkoord te zijn met de hoogte van de schadevergoeding. Om die redenen is de rechtbank van oordeel dat eiser de kennisgeving in deze procedure had mogen intrekken.

Ten aanzien van het toekennen van de proceskosten

8. Eiser stelt naar het oordeel van de rechtbank terecht dat verweerder twee procespunten had moeten toekennen.

Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw wordt een kennisgeving immers gelijkgesteld met een door de vreemdeling ingediend beroep. Dat een gemachtigde nu het online beroepsformulier niet meer hoeft in te vullen en in te dienen, is naar oordeel van de rechtbank onvoldoende om te beslissen dat de hiervoor bedoelde proceskostenvergoeding komt te vervallen. Ook geeft het geen aanleiding om eraan te twijfelen dat door een gemachtigde in het geheel geen met het indienen van een kennisgeving samenhangende handelingen worden verricht. Dat maakt dat de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht de vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vaststelt op € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld (1 punt) en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt), met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.J. Rutten

Griffier

  • mr. M. Stehouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand