ECLI:NL:RBDHA:2026:24530

ECLI:NL:RBDHA:2026:24530

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-07-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer NL26.37170
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, eerste beroep, bewaringsgrondslag, het beginsel van non-refoulement, zicht op overdracht en voortvarend handelen, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.37170

(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),

en

(gemachtigde: mr. L. Ludwig).

Procesverloop

1. Bij besluit van 3 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank hiervan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer H. Barzizaoua als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder om een nadere reactie gevraagd. Op 9 juli 2026 heeft verweerder een nadere reactie ingediend. Op 10 juli 2026 heeft eiser hierop schriftelijk gereageerd.

De rechtbank heeft het onderzoek op 13 juli 2026 weer gesloten. Zeer kort daarna heeft eiser nog een stuk ingebracht. Op 14 juli 2026 heeft de rechtbank, op verzoek van eiser, het onderzoek nogmaals heropend, voormeld stuk van eiser toegelaten tot de procedure en vervolgens het onderzoek weer gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Bewaringsgrondslag

2. Eiser voert aan dat het niet duidelijk is of hij inhoudelijk op zijn opvolgende asielaanvraag zal worden gehoord en er inhoudelijk op zijn asielaanvraag zal worden beslist, dan wel of zijn opvolgende asielaanvraag zal worden afgedaan op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening (Verordening (EU) 2024/1351). Bij gebreke van duidelijkheid hierover kan niet worden vastgesteld dat eiser op de juiste grondslag in bewaring zit. Eiser betoogt dan ook dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig is.

Op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw kan verweerder de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de Asiel- en migratiebeheerverordening op eiser van toepassing is. De rechtbank wijst in dit verband op het claimakkoord met Frankrijk van 24 september 2025, het in rechte vaststaande besluit van 10 oktober 2025 waarbij eisers asielaanvraag niet in behandeling is genomen omdat Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is en het in rechte vaststaande besluit van 22 januari 2026 tot verlenging van de overdrachtstermijn tot en met 27 maart 2027. Dat eiser op 3 juli 2026 een opvolgende asielaanvraag heeft ingediend en dat hij is uitgenodigd voor een ‘gehoor inzake opvolgende aanvraag’ leidt niet tot een ander oordeel. Eiser valt pas niet meer onder de Asiel- en migratiebeheerverordening indien verweerder zou besluiten eisers opvolgende asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 35 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Een dergelijke beslissing is tot op heden niet door verweerder genomen. Een dergelijke beslissing kan ook niet worden afgeleid uit de uitnodiging voor een ‘gehoor inzake opvolgende aanvraag’ aangezien daaruit niet blijkt dat niet met toepassing van de Asiel- en migratiebeheerverordening zal worden beslist. De rechtbank wijst in dit verband verder nog op de toelichting van verweerder van 9 juli 2026 waaruit blijkt dat er in principe op de opvolgende asielaanvraag zal worden beslist in het kader van de Asiel- en migratiebeheerverordening en dat verweerder op dit moment geen aanleiding ziet om de asielaanvraag aan zich te trekken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eisers vreemdelingenbewaring op de juiste grondslag – te weten: artikel 59a, eerste lid, van de Vw – is gebaseerd en (tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek) voortduurt. De beroepsgrond slaagt niet.

Het beginsel van non-refoulement

3. Eiser stelt dat verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring had moeten beoordelen of het beginsel van non-refoulement wordt geschonden bij overdracht aan Frankrijk. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 21 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:12975, r.o. 7.2. Nu verweerder een dergelijke beoordeling niet kenbaar in de maatregel heeft gemaakt, is de maatregel volgens eiser van meet af aan onrechtmatig.

In de uitspraak van 12 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3387, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) vooropgesteld dat het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647, gaat over de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement bij inbewaringstellingen op grond van de Terugkeerrichtlijn en niet over de eerbiediging van dat beginsel bij inbewaringstellingen op grond van de Dublinverordening (thans de Asiel- en migratiebeheerverordening). Verder heeft de Afdeling overwogen dat ook een overdracht naar een andere lidstaat kan leiden tot een situatie die in strijd is met artikel 4 van het EU Handvest, maar dat voor een inbewaringstelling op grond van de Dublinverordening niet vereist is dat er daadwerkelijk een overdrachtsbesluit is genomen. Als er nog geen overdrachtsbesluit – waarin een actuele beoordeling moet worden gemaakt of er artikel 4 van het EU Handvest zich tegen overdracht verzet – is genomen en van uitvoering van een overdrachtsbesluit nog geen sprake is, hoeft verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring geen refoulementsbeoordeling te maken, zo volgt uit voormelde uitspraak van de Afdeling.

In dit geval geldt dat verweerder op 10 oktober 2025 een overdrachtsbesluit heeft genomen, en dat de overdrachtstermijn bij besluit van 22 januari 2026 is verlengd tot en met 27 maart 2027. Tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling op 3 juli 2026 heeft eiser echter een opvolgende asielaanvraag ingediend. Daardoor is de werking van het overdrachtsbesluit van 10 oktober 2025 gestuit, wat betekent dat daaraan geen uitvoering wordt gegeven. Uit de zich in het dossier bevindende informatie blijkt verder dat verweerder op 21 juli 2026 een besluit zal nemen op eisers opvolgende asielaanvraag. Als ook op die opvolgende asielaanvraag met toepassing van de Asiel- en migratiebeheerverordening zal worden beslist, hetgeen volgens verweerder vooralsnog wel de bedoeling is (zie overweging 2.2), zal dit besluit een nieuw overdrachtsbesluit behelzen.

Uit het voorgaande volgt dat ten tijde van het bestreden besluit, als gevolg van de door eiser ingediende opvolgende asielaanvraag, aan het overdrachtsbesluit van 10 oktober 2025 geen uitvoering kon worden gegeven en dat verweerder naar waarschijnlijkheid een nieuw overdrachtsbesluit zal nemen naar aanleiding van de opvolgende asielaanvraag. Onder deze omstandigheden, waaruit blijkt dat er ten tijde van het bestreden besluit geen werkend overdrachtsbesluit lag, is de rechtbank, in het licht van de Afdelingsuitspraak 12 juni 2026, van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit niet hoefde te beoordelen of overdracht van eiser aan Frankrijk in strijd is met een beginsel van non-refoulement. Verweerder dient die refoulementsbeoordeling wel te verrichten in het (waarschijnlijk) te nemen nieuwe overdrachtsbesluit naar aanleiding van de opvolgende asielaanvraag. Gelet hierop slaagt de beroepsgrond niet.

Zicht op overdracht en voortvarend handelen

4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op overdracht is en dat er onvoldoende voortvarend is gehandeld door verweerder.

De rechtbank overweegt dat er in zijn algemeenheid zicht op overdracht binnen een redelijke termijn aan Frankrijk bestaat. Uit het dossier blijkt verder dat verweerder op 8 juli 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Reeds gelet hierop, maar ook gelet op de zich in het dossier bevindende planning waaruit blijkt dat eiser op 14 juli 2026 zal worden gehoord en dat er op 21 juli 2026 op zijn opvolgende asielaanvraag zal worden beslist, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan eisers overdracht aan Frankrijk. De beroepsgrond slaagt niet.

Slotsom beroepsgronden

5. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Ambtshalve toetsing

6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gezien het voorgaande ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.A. Groeneveld

Griffier

  • mr. S.A. Vroegop

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand