ECLI:NL:RBDHA:2026:24533

ECLI:NL:RBDHA:2026:24533

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-07-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer NL26.36936
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, eerste beroep, statushouder Italië, gegrond, proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.36936

(gemachtigde: mr. F. Boone),

en

(gemachtigde: mr. E. van der Weijden).

Procesverloop

1. Bij besluit van 1 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank hiervan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

Verweerder heeft op 3 juli 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven.

Beide partijen hebben te kennen gegeven geen gebruik te willen maken van hun recht ter zitting te worden gehoord. Eiser heeft op 6 en 8 juli 2026 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft hierop bij brief van 8 juli 2026 gereageerd.

De rechtbank heeft het onderzoek op 9 juli 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan op 3 juli 2026 onrechtmatig is geweest.

Statushouder Italië

3. Eiser voert aan dat verweerder nooit deugdelijk onderzoek heeft gedaan naar zijn verblijfsrecht in Italië. Eiser voert verder aan dat hij verweerder op 1 juli 2026 al heeft ingelicht over zijn verblijfsstatus in Italië. Verweerder heeft hier niet snel genoeg op gereageerd. Om deze redenen is de maatregel van bewaring volgens eiser vanaf de dag van oplegging daarvan onrechtmatig.

Verweerder heeft de maatregel van vreemdelingenbewaring op 3 juli 2026 opgeheven. In de brief van 8 juli 2026 heeft verweerder te kennen gegeven dat de maatregel op 3 juli 2026 is opgeheven omdat op die dag is gebleken dat eiser rechtmatig verblijf heeft in Italië. De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder op die dag bekend is geraakt met de foto’s (op eisers telefoon) van een Italiaanse verblijfsvergunning, waaruit blijkt dat eiser daar op 16 februari 2023 subsidiaire bescherming heeft gekregen.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de maatregel van bewaring al eerder dan op 3 juli 2026 opgeheven had moeten worden. Hiervoor is van belang of verweerder al eerder op de hoogte had kunnen en moeten zijn van het feit dat eiser statushouder is in Italië.

De rechtbank overweegt dat het aan verweerder is om voorafgaande aan de inbewaringstelling vast te stellen wat de verblijfsstatus van een vreemdeling is: heeft hij rechtmatig verblijf in Nederland, valt hij onder de Asiel- en migratiebeheerverordening of is hij wellicht statushouder? Om te kunnen vaststellen of een vreemdeling onder de Asiel- en migratiebeheerverordening valt dan wel statushouder in een andere lidstaat is, maakt verweerder gebruik van het Eurodac-systeem, waarin alle lidstaten moeten bijhouden wat de asielrechtelijke status van een vreemdeling is. In dit geval heeft verweerder het Eurodac-systeem geraadpleegd op 8 november 2025. Daarin is niet door de Italiaanse autoriteiten geregistreerd dat zij aan eiser internationale bescherming hebben verleend, terwijl dat wel had gemoeten. Verweerder kan hier op zichzelf niets aan doen. Maar de rechtbank is van oordeel dat deze omissie van de zijde van de Italiaanse autoriteiten wel binnen de risicosfeer van verweerder valt, nu het de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de lidstaten is om het Eurodac-systeem op orde te hebben. Als er in dit geval juist zou zijn geregistreerd in Eurodac, zou verweerder al voorafgaand aan de oplegging van de maatregel op 1 juli 2026 hebben geweten dat eiser een asielstatus heeft in Italië. Hierbij komt verder nog dat eiser al op 1 juli 2026, via zijn gemachtigde, kenbaar heeft gemaakt dat er op zijn telefoon documenten staan waaruit blijkt dat hij een asielvergunning in Italië heeft. Indien hierop direct zou zijn geacteerd, zou verweerder op 1 juli 2026 – en niet pas op 3 juli 2026 – op de hoogte zijn geraakt van de documenten die uiteindelijk hebben geleid tot de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring.

Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder al op de dag van oplegging van de vreemdelingenbewaring op de hoogte had kunnen en moeten zijn van het feit dat eiser statushouder is in Italië. Dit betekent dat de vreemdelingenbewaring met ingang van de dag van oplegging daarvan (1 juli 2026) onrechtmatig was, aangezien die was gebaseerd op een onjuiste grondslag (artikel 59a, eerste lid, van de Vw). De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gezien het voorgaande gegrond. Deze maatregel was met ingang van de dag van oplegging daarvan op 1 juli 2026 tot het moment van opheffing daarvan op 3 juli 2026 onrechtmatig. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 3 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van en 3 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 360,-.

Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,-, omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 360,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.A. Groeneveld

Griffier

  • mr. S.A. Vroegop

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand