RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37181
(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),
en
(gemachtigde: mr. L. Ludwig).
Procesverloop
1. Bij besluit van 3 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank hiervan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Verweerder heeft op 8 juli 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven, wegens een strafrechtelijke detentie.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. A.M.V. Bandhoe (als waarnemer van eisers gemachtigde), de heer H.P. Vuijk als tolk en de gemachtigde van verweerder.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder verzocht aanvullende informatie te verstrekken. Verweerder heeft op 13 juli 2026 een nadere reactie en een uittreksel uit de justitiële documentatie ingediend. Eiser heeft hierop op 13 juli 2026 schriftelijk gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 15 juli 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Inleiding
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan op 8 juli 2026 onrechtmatig is geweest.
Strafrechtelijke detentie
3. Eiser voert aan dat verweerder voorafgaand aan een inbewaringstelling dient te onderzoeken of er nog openstaande straffen zijn die ten uitvoer moeten worden gelegd. Dat heeft verweerder in dit geval ten onrechte niet gedaan. Indien hij dat wel had gedaan, had hij gezien dat er nog een straf op grond van een vonnis van [datum] 2026 openstond en had vreemdelingenbewaring achterwege kunnen blijven. In dit geval bestond er des te meer aanleiding om voormeld onderzoek te verrichten, nu verweerder op basis van het uittreksel justitiële documentatie dat in een eerdere bewaringszaak was opgevraagd bekend was, of in ieder geval moest zijn, met het vonnis van [datum] 2026. Weliswaar was dat vonnis toen eiser werd uitgezet op 14 mei 2026 nog niet onherroepelijk, maar verweerder had kunnen bevroeden dat dit inmiddels wel het geval was en had daar in ieder geval navraag over moeten doen bij het OM. Nu dit onderzoek niet is verricht, is de maatregel van vreemdelingenbewaring volgens eiser van meet af aan onrechtmatig.
De rechtbank overweegt dat verweerder de maatregel van vreemdelingenbewaring op 8 juli 2026 heeft opgeheven, omdat tijdens de bewaring is gebleken dat eiser nog een gevangenisstraf van 28 dagen dient te ondergaan naar aanleiding van een strafrechtelijk vonnis van [datum] 2026. In geschil is of verweerder voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring had moeten onderzoeken of er nog openstaande straffen waren.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4219, overwogen dat het opvragen van een uittreksel uit de justitiële documentatie door verweerder een handeling is in het kader van de (feitelijke) uitzetting en daarom in beginsel niet vereist is voorafgaand aan de bewaring. Verder heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat verweerder in beginsel ook niet verplicht is om voorafgaand aan de bewaring contact te zoeken met het OM. Dit een en ander is volgens de Afdeling anders als verweerder voorafgaand aan de bewaring bekend is met een uitzettingsdatum.
In het geval van eiser geldt dat verweerder op het moment van opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring niet bekend was met een uitzettingsdatum. Daarom is de rechtbank, in lijn met voormelde Afdelingsuitspraak, van oordeel dat verweerder niet gehouden was een uittreksel uit de justitiële documentatie op te vragen, contact op te nemen met het OM of anderszins onderzoek te doen naar mogelijk openstaande strafrechtelijke vonnissen. In wat eiser heeft aangevoerd in zijn schriftelijke reactie van 13 juli 2026 ziet de rechtbank geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven voor een ander oordeel. Zoals eiser zelf heeft aangevoerd was het strafrechtelijk vonnis van [datum] 2026 op het moment van zijn (laatste) uitzetting op 14 mei 2026 nog niet onherroepelijk en naar het oordeel van de rechtbank kan van verweerder niet worden verwacht dat hij actief zicht houdt op de verdere procedurele ontwikkelingen (waaronder het eventueel onherroepelijk worden van het vonnis) in deze strafrechtelijke zaak.
Wel volgt uit het in paragraaf A5/6.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000 neergelegde beleid dat als tijdens de bewaring bij verweerder bekend wordt dat de vreemdeling nog een strafrechtelijk vonnis moet ondergaan, hij contact moet opnemen met het CJIB, zodat dit vonnis zo snel mogelijk ten uitvoer wordt gelegd. In dit geval is het onherroepelijke vonnis van [datum] 2026 op 6 juli 2026 verzonden naar [detentiecentrum] en op 7 juli 2026 ontvangen door de regievoerder. Vanaf dat moment moet verweerder worden geacht ervan op de hoogte te zijn geweest dat eiser nog een strafrechtelijke detentie moest ondergaan. De dag daarop, op 8 juli 2026, heeft verweerder de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven en is eiser op grond van het nog openstaande strafrechtelijke vonnis strafrechtelijk gedetineerd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder in overeenstemming met zijn beleid heeft gehandeld.
Uit het voorgaande volgt dat er op het door eiser onder 3. genoemde punt geen sprake is van een onrechtmatigheid. De (enige) beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgrond, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat niet aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel is voldaan.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.