RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41409
(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
en
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 22 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. H. Palanciyan als waarnemer van de gemachtigde van eiser, mevrouw M.M. Lukomski als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Kunnen de door verweerder vermelde gronden de maatregel dragen?
4. Eiser voert aan dat grond c hem niet zou mogen worden tegengeworpen, omdat verweerder al beschikte over zijn identiteitskaart. Doordat zijn identiteit bekend was, hoeft eiser ook niet te worden gehouden tot het meewerken aan het vaststellen van zijn identiteit.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Weliswaar betwist eiser dat grond c aan hem kan worden tegengeworpen, maar de overblijvende gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een onderduikrisico bestaat.Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?
5. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel en dat hiernaar onvoldoende onderzoek is verricht. Hij probeert namelijk met stichting De Ontmoeting identiteitsdocumenten te bemachtigen. Verder is eiser niet ongewenst verklaard. Eiser heeft toegelicht dat hij eerst werkte in Nederland, maar dat hij na verloop van tijd zijn werk, huis en identiteitsdocumenten heeft verloren. Eiser volgt niet waarom verweerder het zwaarste middel heeft toegepast door hem in bewaring te stellen.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
Verweerder stelt zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat uit de gronden voor de maatregel een onderduikrisico volgt. Eiser stelt dat hij zich niet bewust was van zijn vertrekplicht en de intrekking van zijn verblijfsrecht. Desondanks blijk uit het dossier dat eiser wel voor ontvangst van deze beschikking heeft getekend op 9 april 2026. De rechtbank acht ook hierdoor het onderduikrisico aanwezig, omdat eiser niet zelfstandig is vertrokken nadat hij bekend werd met zijn vertrekplicht. Verder begrijpt de rechtbank dat het voor eiser zwaar kan zijn om in bewaring te verblijven nadat hij zijn werk, woning en identiteitsdocumenten heeft verloren. Ook heeft de rechtbank begrepen dat eiser verslaafd is. Desondanks ziet de rechtbank in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat inbewaringstelling onredelijk bezwarend is voor eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet. Handelt verweerder voldoende voortvarend?
6. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiser betoogt werkt verweerder wel voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Eiser is namelijk op 22 juli 2026 in bewaring gesteld en er heeft op 28 juli 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Gelet op de beperkte tijd tussen eisers inbewaringstelling en deze uitzettingshandeling van verweerder, heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.