RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43603
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig.
De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Verweerder hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
Vw: Vreemdelingenwet 2000
Vb: Vreemdelingenbesluit 2000
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 31 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Verweerder heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2026 op zitting behandeld.
Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Ikar als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Verweerder kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid van het Vb zich voordoen.
Daarnaast kan verweerder in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico. Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd.
In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Kunnen de door verweerder vermelde gronden de maatregel dragen?
5. Eiser betwist de grond o. Hiertoe voert hij aan dat het onduidelijk is in welke periodes hij wel of niet in beeld was bij verweerder. In 2025 is hij kort met onbekende stemming vertrokken, maar kwam daarna terug bij het COA. Uit het dossier blijkt verder dat hij op één vertrekgesprek, op 2 juni 2026, niet is verschenen. Op die datum was hij wel op locatie, maar kon hij niet deelnemen aan het gesprek omdat hij ziek was. Daarna was hij weer in beeld bij verweerder.
De gronden a, b, r en s zijn niet betwist. Deze gronden en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een onderduikrisico bestaat. De rechtbank laat de overige gronden dan ook onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel.
Hij stelt dat hij de laatste tijd goed in beeld is bij verweerder. Zo heeft hij gebruik gemaakt van voorzieningen van verweerder, zoals verblijf op een vrijheidsbeperkende locatie. Daarnaast heeft hij recht op een opvangvoorziening van het COA vanwege zijn herhaalde asielaanvraag. Bovendien ervaart eiser de vreemdelingendetentie als zwaar vanwege psychische klachten en heeft hij suïcidale uitingen gedaan. Hij benadrukt dat hij niets misdadigs heeft gedaan.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder. Verwijzing naar de vreemdelingenbewarings-gronden volstaat daarvoor niet.
Verweerder stelt zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit deze gronden, die terecht aan eiser zijn tegengeworpen, volgt dat er een risico op onderduiken bestaat. De stelling dat eiser goed in beeld is bij verweerder doet hier niet aan af.
De rechtbank betrekt hierbij dat op 20 mei 2026 aan eiser de artikel 56 Vw maatregel is opgelegd en dat hij op de vrijheidsbeperkende locatie in Ter Apel moet verblijven om te werken aan zijn terugkeer. Niet is gebleken dat eiser handelingen heeft verricht om zijn terugkeer te faciliteren. Daarnaast hebben op 13 mei 2026 en 30 juni 2026 vertrek-gesprekken met eiser plaatsgevonden, die niet hebben geleid tot zijn vertrek.
Bovendien heeft eiser tijdens het vertrekgesprek op 30 juni 2026 verklaard niet te willen terugkeren naar Somalië.
Verweerder is op de hoogte van de psychische problemen van eiser en heeft deze in de maatregel afdoende betrokken. Hoewel de rechtbank erkent dat eiser psychische problemen heeft, zijn er op dit moment geen omstandigheden genoemd die maken dat de bewaring niet langer kan voortduren. Eiser heeft niet (met stukken) aannemelijk gemaakt dat hij detentieongeschikt is en heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare begeleiding en medische en psychische zorg in zijn geval niet toereikend zijn of dat zijn gesteldheid in bewaring door gebrek aan medische of psychische zorg zal verslechteren. Verweerder heeft daarbij in de maatregel en tijdens de zitting terecht meegewogen dat de gezondheidszorg in detentie gelijkwaardig is aan die buiten de detentie en dat er ook gespecialiseerde zorg aanwezig is.
De beroepsgrond dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de vreemdelingenbewaring slaagt gezien het voorgaande niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond.
Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.