[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. K. Yousef),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
Bij besluit van 14 juni 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een mvv met het verblijfsdoel “verblijf als familie- of gezinslid” voor verblijf bij haar zoon, [referent] (hierna: referent), afgewezen. Bij besluit van 10 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres en M. Suleman als tolk. Verweerder is met kennisgeving vooraf niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1961 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiseres wil bij haar zoon (referent) verblijven. Op 19 augustus 2022 heeft eiseres daarom een aanvraag voor een mvv voor het doel verblijf als familie- of gezinslid bij referent ingediend.2.1 Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat er geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen haar en referent. Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat eiseres exclusief afhankelijk is van referent. Dit betekent dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM. Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert – kort samengevat – aan dat verweerder ten onrechte stelt dat er geen sprake is van familie- en gezinsleven in het kader van artikel 8 van het EVRM tussen haar en referent. Daarbij is van belang dat verweerder onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de bijzondere afhankelijkheidsrelatie. Uit het bezwaarschrift blijkt immers dat sprake is van structurele samenwoning en financiële, medische en emotionele afhankelijkheid. Het besluit is volgens eiseres dan ook in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Tot slot heeft verweerder het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard, nu verweerder twaalf pagina’s heeft besteed aan het weerleggen van de gronden in bezwaar. Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres heeft kunnen afwijzen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Bijkomende elementen van afhankelijkheid5. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat relaties tussen volwassen familieleden onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM kunnen vallen, als er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Bij de beoordeling van de vraag of er tussen volwassen familieleden bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, moet verweerder alle individuele omstandigheden van het geval betrekken. Zo kan van belang zijn de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden hebben samengewoond. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard.
De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de door verweerder gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van alle relevante feiten en omstandigheden heeft kunnen concluderen dat geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Daartoe is het volgende van belang. Hoewel eiseres en referent samen hebben gewoond, heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat samenwoning op zichzelf niet voldoende is om te spreken van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie. Verweerder heeft in dit verband mogen betrekken dat eiseres ten tijde van belang al enige tijd alleen woonde in Syrië en referent tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat eiseres alleen kan wonen, zelf huishoudelijke taken kan verrichten en zij toegang heeft tot zorg in Syrië. Dit betekent dat er geen sprake is van een situatie van zodanige hulpbehoevendheid dat zij zonder de specifieke hulp van referent niet zelfstandig kan functioneren. Eiseres zorgt immers al enige tijd voor zichzelf. Dit geldt ook voor de gestelde medische problematiek van eiseres. Uit de medische stukken die zijn overgelegd blijkt niet dat eiseres zich niet zelfstandig kan redden of dat zij expliciet afhankelijk is van referent. Verder is enkel gesteld, maar niet met stukken onderbouwd, dat er in Syrië geen gezins- of familieleden zijn die eiseres zouden kunnen ondersteunen. Verder heeft eiseres aangevoerd dat zij financiële steun ontvangt van referent. Niet is gebleken dat zij deze steun niet op afstand kan blijven krijgen als zij in Syrië verblijft. Verweerder heeft ook kunnen betrekken dat er nog banden met Syrië zijn, nu eiseres daar is geboren en de lokale taal en cultuur kent. Dat haar zoon, referent, in Nederland woont maakt niet dat haar band met Nederland daarom sterker is dan die met Syrië. Eiseres is immers nooit in Nederland geweest. De zorgen en bereidheid van referent om eiseres te ondersteunen zijn begrijpelijk en geven blijk van een bezorgdheid en hulpbereidheid die gebruikelijk is bij een goede band tussen een meerderjarig kind en een ouder, maar de aangevoerde omstandigheden maken – ook in onderlinge samenhang bezien – niet dat de band tussen eiseres en referent zo bijzonder is dat deze de gebruikelijke (emotionele) banden tussen ouders en meerderjarige kinderen overstijgt en van bijzondere afhankelijkheid sprake is.
De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder alle relevante individuele feiten en omstandigheden in de beoordeling heeft betrokken. Enigszins terughoudend toetsend, heeft verweerder gelet op het voorgaande deugdelijk gemotiveerd dat er tussen eiseres en referent geen familieleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM bestaat.
6. Voor zover eiseres in beroep de standpunten uit het bezwaar heeft herhaald, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Verweerder heeft op deze standpunten immers in de besluitvorming gemotiveerd gereageerd en eiseres heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom deze motivering niet juist is, hetgeen wel op haar weg had gelegen.
7. Voor zover eiseres stelt dat het besluit in strijd met het zorgvuldigheid- en motiveringsbeginsel is genomen, is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet heeft geconcretiseerd en onderbouwd welke verklaringen selectief zouden zijn geïnterpreteerd door verweerder. Dit maakt het oordeel daarom niet anders.
Kennelijk ongegrond 8. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond heeft mogen verklaren en verweerder eiseres daarom niet heeft hoeven horen. Van het horen in bezwaar mag worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bestaat over het antwoord op de vraag of de gronden van bezwaar tot een ander besluit kunnen leiden. Gelet op de motivering van het primaire besluit, de inhoud van de gronden in het bezwaarschrift en het gehoor dat tijdens de aanvraagprocedure heeft plaatsgevonden, mocht verweerder afzien van het horen van eiseres. Verweerder heeft daarbij kunnen stellen dat het aantal pagina’s van het bestreden besluit, anders dan eiseres stelt, niets zegt over de kennelijk ongegrondheid van het besluit.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond.
10. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.