ECLI:NL:RBDHA:2026:24562

ECLI:NL:RBDHA:2026:24562

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-02-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer NL25.48459 en NL25.48460
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Intrekking verblijfsvergunning.

Uitspraak

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Beyik).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.

Bij besluit van 14 april 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘arbeid als kennismigrant’ met terugwerkende kracht ingetrokken per 18 april 2024. Met het besluit van 5 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Turkse nationaliteit. Op 23 juli 2023 heeft [bedrijfsnaam] B.V. als erkend referent voor eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het doel ‘arbeid als kennismigrant’. Eiser heeft deze verblijfsvergunning met ingang van 13 september 2023 gekregen en heeft iets meer dan vier maanden gewerkt bij [bedrijfsnaam] B.V. 2.1 Op 29 januari 2024 heeft [bedrijfsnaam] B.V. gemeld dat eiser sinds 18 januari 2024 niet meer werkzaam is bij hen. Niet is gebleken dat eiser tijdens zijn zoekperiode (die liep tot 18 april 2024) in dienst is getreden bij een andere werkgever. Verweerder heeft eisers verblijfsvergunning daarom met terugwerkende kracht ingetrokken per 18 april 2024. Daarbij is van belang dat volgens verweerder het Associatierecht EEG-Turkije niet van toepassing is op eisers situatie, nu hij niet ten minste één jaar onafgebroken arbeid heeft verricht bij dezelfde werkgever.

Wat vindt eiser in beroep?

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert – kort samengevat – aan dat het besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM en het Associatieverdrag. Volgens eiser levert de intrekking van zijn verblijfsvergunning een verslechtering van zijn verblijfsrecht op. Dit is in strijd met onder andere artikel 13 van het Besluit 1/80 en WI 2023/1. Ook wijst hij op het arrest van het Hof van 29 september 2011 (C/187-10). Eiser voert verder aan dat er geen evenwichtige belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft plaatsgevonden. Eiser heeft immers nimmer een beroep gedaan op de publieke middelen en heeft hier een bestaan opgebouwd. Ook heeft hij geen banden meer met zijn thuisland. Tot slot voert eiser aan dat verweerder hem had moeten horen in het kader van artikel 8 van het EVRM. Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het doel ‘arbeid als kennismigrant’ heeft kunnen intrekken per 18 april 2024. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

5. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht mocht worden ingetrokken. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eiser niet minstens een jaar arbeid in loondienst heeft verricht bij dezelfde werkgever. Dit betekent dat hij geen rechten heeft opgebouwd op grond van artikel 6 van het Besluit 1/80 en geen toepassing is gegeven aan WI 2023/1. Omdat eiser binnen de zoekperiode geen nieuw dienstverband is aangegaan, is hij zijn status van tot de legale arbeidsmarkt behorende Turkse werknemer verloren. Anders dan eiser betoogt, brengt dit enkele gegeven reeds mee dat de standstill-bepaling uit artikel 13 van het Besluit 1/80 niet op zijn situatie van toepassing is. Uit de bewoordingen van artikel 13 van het Besluit 1/80 volgt dat het begrip ‘werknemer’ in de zin van dit artikel dezelfde is als die in artikel 6 van het Besluit 1/80: ‘werknemer’ is een Turks onderdaan die daadwerkelijk arbeid in loondienst verricht of die tijdelijk niet in staat is om arbeid in loondienst te verrichten. Eiser voldoet hier niet aan. Het beroep van eiser op het arrest van het Hof van 29 september 2011 (C/187-10) kan daarom ook niet slagen, nu dit arrest - zoals verweerder terecht betoogt - enkel ziet op Turkse onderdanen die wel rechten kunnen ontlenen aan artikel 6, eerste lid van het Besluit 1/80.

6. Verweerder heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Daarbij is van belang dat verweerder er in het briefverweer op heeft kunnen wijzen dat eiser in bezwaar geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit zou blijken dat uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Dit betekent dat verweerder in het bestreden besluit geen rekening kon houden met een eventuele artikel 8 EVRM beoordeling en geen sprake is van een motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek. Anders dan de gemachtigde van eiser ter zitting heeft betoogd, is verweerder of de rechtbank niet gehouden om ambtshalve een artikel 8 EVRM beoordeling te verrichten, zonder dat eiser hier bezwaargronden tegen heeft ingediend. Verweerder heeft er ook op kunnen wijzen dat eiser op 25 april 2025 een nieuwe reguliere aanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft in die procedure op 22 mei 2025 een beschikking uitgebracht waarin wel een artikel 8 EVRM beoordeling heeft plaatsgevonden. Voor zover eiser in beroep stelt dat er geen evenwichtige belangenafweging heeft plaatsgevonden, wijst verweerder er terecht op dat eiser dit in die procedure naar voren kan brengen. Dit geldt ook ten aanzien van het verzoek om een hoorzitting in het kader van artikel 8 van het EVRM. 7. Het voorgaande betekent ook dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder de hoorplicht in bezwaar niet heeft geschonden. Van het horen in bezwaar mag worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bestaat over het antwoord op de vraag of de gronden van bezwaar tot een ander besluit kunnen leiden. Nu eiser in bezwaar geen feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit zou blijken dat uitzetting in strijd is met artikel 8 van het EVRM, heeft verweerder eiser hier ook niet over kunnen of hoeven horen. Verweerder mocht dan ook afzien van het horen van eiser. De rechtbank verwijst daarbij naar wat in rechtsoverweging 6 is overwogen.

8. Voor zover de gemachtigde van eiser ter zitting heeft gesteld dat de situatie onredelijk hard is, heeft hij dit niet onderbouwd. Verder wijst de rechtbank erop dat het ontstaan van een mogelijk verblijfsgat momenteel niet aan de orde is, nu eisers reguliere aanvraag van 25 april 2025 is afgewezen en nog niet op het bezwaar is beslist.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de intrekking van de verblijfsvergunning in stand kan blijven.

10. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.

11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep

of verzet open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand