ECLI:NL:RBDHA:2026:24565

ECLI:NL:RBDHA:2026:24565

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-02-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer NL25.61732
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Asiel, ongegrond.

Uitspraak

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Stap),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.I. Schreinemachers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.

Eiser heeft op 10 november 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 9 december 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.

De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de heer [naam] als waarnemer van de gemachtigde van eiser, M. Ates als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Waar gaat deze zaak over?

Het asielrelaas 2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit, behoort tot de Balkan en Kaukasus bevolkingsgroep en is geboren op [geboortedatum] 1984. Hij heeft verklaard dat hij heeft deelgenomen aan demonstraties, dat hij aanhanger en voormalig lid is van de CHP en dat hij atheïst is. Eiser heeft verder verklaard dat hij was veroordeeld voor een druggerelateerde strafzaak, maar dat hij hier door zijn politieke overtuiging, activiteiten en geloofsovertuiging harder voor is gestraft. Eiser is na drie jaar gevangenschap voorwaardelijk vrijgelaten in 2023, maar heeft wel een meldplicht opgelegd gekregen. Eiser stelt ook dat hij in 2025 aan de Imamoglu protesten heeft deelgenomen en daarom meerdere malen te maken kreeg met invallen bij hem thuis. Eiser heeft Turkije daarom verlaten. Hierdoor kon hij niet meer voldoen aan de meldplicht, waardoor eiser bij terugkeer vreest om aangehouden en gevangengezet te worden.Het bestreden besluit3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:- identiteit, nationaliteit en herkomst;- eisers onredelijke veroordeling; - eisers problemen vanwege zijn politieke overtuiging en activiteiten; - eisers problemen vanwege zijn geloofsovertuiging.

Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder acht eisers politieke overtuiging, activiteiten en geloofsovertuiging ook geloofwaardig. De problemen die eiser hierdoor zou ondervinden acht verweerder echter niet geloofwaardig. Zo heeft eiser wisselend en summier verklaard over de gestelde invallen vanwege zijn deelname aan de Imamoglu protesten en heeft hij niet onderbouwd op welke manier hij problemen heeft ondervonden vanwege zijn geloofsovertuiging. Verweerder acht eisers verklaringen over de onredelijke veroordeling ook niet geloofwaardig. Daarbij is van belang dat eiser zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten en zijn verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder vindt dat eiser gelet op de wel geloofwaardig geachte delen bij terugkeer naar Turkije geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade. Het enkele feit dat eiser uit Turkije komt is hiervoor onvoldoende. Dit geldt ook ten aanzien van eisers politieke overtuiging, activiteiten en geloofsovertuiging. Het is immers niet aannemelijk dat eisers lidmaatschap van de CHP in het verleden tot concrete vervolgingsdaden heeft geleid of zijn sympathie met CHP tot concrete vervolgingsdaden zal leiden van de zijde van de Turkse overheid. Daarbij is van belang dat eiser zonder problemen heeft kunnen in- en uitreizen. Verder heeft eiser, ten aanzien van zijn geloofsovertuiging, niet aannemelijk gemaakt problemen te hebben ondervonden.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij verzoekt om de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. Verder wijst eiser op de overgelegde producties in beroep die hij onder andere via Uyap en e-devlet heeft kunnen verkrijgen. Zo heeft eiser de uitspraak van de Turkse rechtbank, het hoger beroepschrift, de akte van beschuldiging, de pleitnota van de verdediging in eerste aanleg, het reclasseringsadvies, het proces-verbaal van de bevindingen van het hoofdletsel bij eiser, het proces-verbaal van de bevindingen van de huiszoeking in de woning van eiser, een vertaald nieuwsartikel op internet over eiser en een vertaalde verklaring van de Turkse Minister over drugsdealers overgelegd. Eiser voert aan dat de onredelijke veroordeling uit deze producties blijkt. Hij bestrijdt dan ook de ongeloofwaardigheid van dit asielmotief. Eiser stelt verder dat de wekelijkse meldplicht naar aanleiding van deze veroordeling verviel op 10 november 2025. Hij stelt daarom dat hij bij terugkeer naar Turkije onmiddellijk in detentie zal worden gesteld. Daarom is aannemelijk dat eiser bij terugkeer te maken zal krijgen met negatieve aandacht en dus vervolging en ernstige schade.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

Herhaald en ingelast 5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.

De geloofwaardigheidsbeoordeling 6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij onredelijk streng is bestraft in Turkije voor het plegen van een drugsdelict. Zijn verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. In wat eiser in beroep naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder niet vast mocht houden aan de tegenwerpingen zoals verweerder die in dit verband heeft opgenomen in het voornemen en het bestreden besluit. Daarbij is van belang dat verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat eisers verklaringen over de redenen van zijn detentie niet overeenkomen met de inhoud van het vonnis en zijn verklaringen in strijd zijn met de strafmaat van 4 tot 12 jaar die blijkt uit openbare informatie. Zo heeft verweerder er op kunnen wijzen dat uit het vonnis blijkt dat eiser een straf opgelegd heeft gekregen voor het handelen in verdovende middelen en de productie ervan. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser ter zitting desgevraagd heeft bevestigd dat hij drugs heeft geproduceerd. Ook heeft verweerder er op kunnen wijzen dat aan de hand van openbare bronnen is gebleken welke minimale en maximale straffen in Turkije worden opgelegd voor druggerelateerde zaken. Aan de hand van deze openbare bronnen is gebleken dat de opgelegde straf passend is bij de strafmaat in Turkije voor dergelijke misdrijven waarvoor eiser is veroordeeld. Daarbij is ook van belang dat zowel uit de verklaringen van eiser als de overgelegde documenten in beroep blijkt dat eiser enkel is veroordeeld wegens druggerelateerde zaken. Noch in de pleitnota van de verdediging in eerste aanleg noch in het hoger beroepsschrift – wat hier verder ook van zij – wordt immers gesproken over enige politieke activiteiten of geloofsovertuiging. Daar komt bij dat verweerder er ter zitting op heeft kunnen wijzen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het al dan niet indienen van hoger beroep. Eiser heeft tijdens het gehoor immers verklaard dat hij geen hoger beroep heeft ingediend, omdat hij geen geld zou hebben gehad. Dat eiser na een gevangenisstraf van ongeveer drie jaar voorwaardelijk is vrijgelaten en sindsdien niet meer in hechtenis is genomen, wijst er temeer op dat eiser is behandeld en veroordeeld volgens de in Turkije geldende wetgeving en procedures. Daar komt bij dat politieke activisten tijdens de Corona-periode werden uitgesloten van een vervroegde vrijlaten. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij onredelijk is veroordeeld wegens zijn politieke overtuiging en geloofsovertuiging.

Voor zover eiser heeft betoogd dat de detentie-omstandigheden in Turkije dermate slecht zijn dat hij vreest voor een onmenselijke behandeling, volgt de rechtbank dit niet. Daarbij is van belang dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het letsel aan zijn hoofd tijdens zijn detentie is veroorzaakt door de gendarmerie. In productie 5 is immers te lezen dat eiser heeft verklaard dat hij het letsel aan zijn hoofd zelf heeft toegebracht door zijn hoofd tegen de rand van het bed in de cel te slaan. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om uit te gaan van een andere situatie. De rechtbank is daarom van oordeel dat eisers gestelde vrees voor mishandeling in detentie niet aannemelijk is gemaakt.

Gelet op al het voorgaande heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat niet is gebleken dat eisers veroordeling onrechtmatig is geweest en geenszins blijkt dat deze veroordeling te maken had met eisers politieke overtuiging, activiteiten en/of zijn atheïstische geloofsovertuiging.

7. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij een meldplicht heeft in Turkije, dat hij deze meldplicht heeft geschonden en dat hij daarom gevangen genomen zal worden bij terugkeer, heeft verweerder er op kunnen wijzen dat eiser Turkije willens en wetens heeft verlaten terwijl hij wist dat hij een meldplicht als gevolg van het plegen van een commune delict had. Eiser is immers voorwaardelijk vrijgelaten en moest zich houden aan de meldplicht. Dat hij dit niet heeft gedaan komt dan ook voor zijn eigen rekening en risico. Er zijn, anders dan eiser stelt, geen aanwijzingen om aan te nemen dat hij bij terugkeer een risico op ernstige schade zal lopen, omdat hij zich niet heeft gemeld voor de meldplicht.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft.

9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.D. Gunster

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand