RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59461
geboren op [geboortedatum] ,
van Turkse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Jankie),
en
(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).
Procesverloop
1. Bij besluit van 5 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw (de vrijheidsbeperkende maatregel).
Op 19 november 2025 heeft de minister de vrijheidsbeperkende maatregel opgeheven, omdat eiser heeft afgezien van zijn recht op opvang.
Eiser heeft op 3 december 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Overwegingen
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling door de rechtbank
3. Omdat de vrijheidsbeperkende maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling daarvan zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vrijheidsbeperking op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank, als de vrijheidsbeperking al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de vrijheidsbeperkende maatregel, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. De rechtbank overweegt allereerst dat de minister door middel van de vrijheidsbeperkende maatregel aan eiser heeft verplicht om met ingang van 5 november 2025 te verblijven in de HTL in Hoogeveen. Daarmee hangt samen het plaatsingsbesluit van het COa. De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen het plaatsingsbesluit en dat de termijn daarvoor inmiddels is verstreken. Anders dan wat eisers gemachtigde ter zitting desgevraagd heeft aangevoerd, kan uit het beroepschrift niet worden afgeleid dat het beroep zich ook richt tegen het plaatsingsbesluit van het COa. Daarom staat het plaatsingsbesluit in rechte vast en dient de rechtbank uit te gaan van de rechtmatigheid daarvan.
5. De oplegging van de onderhavige vrijheidsbeperkende maatregel houdt verband met het in rechte onaantastbaar geworden COa-plaatsingsbesluit. Nu de rechtbank moet uitgaan van de rechtmatigheid van het plaatsingsbesluit, kan niet geoordeeld worden dat de vrijheidsbeperkende maatregel, waaraan het plaatsingsbesluit ten grondslag ligt, ten onrechte of op onjuiste grondslag is genomen. De beroepsgronden die zien op de (redenen voor) HTL-plaatsing, de problemen die eiser in de HTL heeft ondervonden en de gevolgen van de niet ondertekende consequentieverklaring liggen in onderhavige procedure niet ter toetsing voor, omdat deze betrekking hebben op het in rechte onaantastbaar geworden plaatsingsbesluit en/of geen verband houden met de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel bij het bestreden besluit.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.