[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.M. Volwerk),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Beyik).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
Eiser heeft op 22 augustus 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 25 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Verweerder heeft op 10 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M.A. Budak als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas 2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit, behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep en is geboren op [geboortedatum] 2003. Hij heeft verklaard problemen te hebben ondervonden vanwege zijn Koerdische etniciteit. Zo stelt eiser dat hij werd geïntimideerd door politieagenten. Ook stelt eiser dat hij problemen heeft ondervonden met de politie omdat hij als vrijwilliger politieke activiteiten verrichtte voor de politieke partij HDP. Hij zou naar aanleiding hiervan op 26 april 2023 door de politie zijn meegenomen en mishandeld. Hij werd onder druk gezet om voor hen te spioneren binnen de HDP. Eiser heeft dit niet gedaan, is direct gestopt met zijn activiteiten bij de HDP en heeft Turkije op 6 juni 2023 verlaten. Eiser vreest bij terugkeer naar Turkije voor problemen met de politie en is ook bang dat, als hij de militaire dienstplicht moet vervullen, hij vanwege zijn Koerdische etniciteit slecht behandeld zal worden.
Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:- identiteit, nationaliteit en herkomst;- eisers politieke overtuiging en problemen vanwege zijn betrokkenheid bij de HDP.
Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder acht eisers politieke overtuiging en problemen vanwege zijn betrokkenheid bij de HDP ook geloofwaardig. Verweerder vindt echter dat eiser bij terugkeer naar Turkije geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade. Daarbij is van belang dat eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de toekomst vervolgd zal worden door de autoriteiten op grond van zijn politieke overtuiging. Ook valt eiser niet onder het traumatabeleid, nu uit zijn verklaringen niet is gebleken dat het incident van 26 april 2023 zwaar lichamelijk of geestelijk letsel tot gevolg heeft gehad. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij wordt gediscrimineerd, heeft verweerder geconcludeerd dat niet is gebleken dat eiser zo ernstig is beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kon functioneren. Ten aanzien van eisers vrees voor problemen vanwege de militaire dienstplicht, is van belang dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij (vanwege zijn etniciteit) heeft te vrezen voor een onevenredige bestraffing bij de militaire dienstplicht.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert – kort samengevat – aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom, ondanks de daden van vervolging en de omstandigheid dat eiser valt onder een risicoprofiel, de vrees voor toekomstige vervolging niet aannemelijk zou zijn. Eiser wijst er daarbij op dat de bewijslast hiervoor bij verweerder ligt. Dat hij (uit angst voor de autoriteiten) is gestopt met zijn activiteiten bij de HDP is hiervoor onvoldoende. Dat eiser na het incident van 26 april 2023 nog een maand in Turkije heeft verbleven, maakt verder niet dat hij niet genoodzaakt was om te vluchten, nu hij thuis zat ondergedoken en niet meer politiek actief was. Ook vindt eiser dat dit incident wel onder zwaar letsel valt te scharen. Ten aanzien van de legale uitreis voert eiser aan dat het niet zo is dat een ieder die wordt gezocht een uitreisverbod krijgt opgelegd. Wat betreft de sterkte van zijn politieke overtuiging, is onvoldoende om te stellen dat deze niet sterk is omdat eiser is gestopt met zijn activiteiten. Hij verwijst hierbij naar landeninformatie waaruit zou blijken dat Turkije actief activisten in het buitenland in de gaten houdt en vervolgt. Hij voert verder aan dat hij onvoldoende is bevraagd over de manier waarop hij in de toekomst zou willen opkomen voor de rechten van Koerden. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom er in het kader van de dienstplicht geen risico bestaat op mensenrechtenschendingen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Politieke overtuiging 5. Voor zover de gemachtigde van eiser ter zitting heeft gesteld dat uit het bestreden besluit niet blijkt of eiser wel of niet onder een risicoprofiel valt en dit leidt tot een motiveringsgebrek, volgt de rechtbank dit niet. Daarbij is van belang dat voldoende duidelijk is gebleken dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser hier niet onder valt, nu hij enkel een aanhanger van de HDP was, hij slechts een korte periode (tussen 2021 en 2023) actief was voor de jongerenafdeling, hij marginale activiteiten verrichtte en hij geen lid van deze partij is (geweest). Verweerder heeft eisers activiteiten gelet op zijn verklaringen niet hoeven kwalificeren als “actief zijn in de politiek op het gebied van mensenrechten” of hieruit moeten afleiden dat eiser een HDP lid- of activist is (geweest) zoals volgt uit paragraaf C7/34.3.2. van de Vc. Anders dan de gemachtigde van eiser ter zitting heeft gesteld, volgt de rechtbank gelet op het voorgaande dan ook niet dat er sprake is van een motiveringsgebrek omdat verweerder niet met zoveel woorden in de besluitvorming heeft opgeschreven dat eiser niet valt onder een risicoprofiel. Dit blijkt uit de beoordeling van het besluit immers wel. Daarbij is ook van belang dat verweerder bij de beoordeling gebruik heeft gemaakt van Informatiebericht 2024/10, waarbij verweerder de vrees voor vervolging zorgvuldig op individuele basis heeft beoordeeld.
Verweerder heeft de politieke overtuiging van eiser wel aangenomen. De omstandigheid dat wordt uitgegaan van het bestaan van een politieke overtuiging, neemt echter niet weg dat eiser nog steeds met op hem betrekking hebbende factoren aannemelijk moet maken dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel dat hij een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser hierin niet is geslaagd. Daartoe is het volgende van belang.
Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat eiser na het incident van 26 april 2023 en zijn weigering om voor de politie te spioneren binnen de HDP geen concrete problemen heeft ondervonden van de Turkse autoriteiten. Dit terwijl eiser daarna nog ruim een maand in Turkije heeft verbleven. Desondanks hebben zij hem niet (thuis) benaderd. Dat hij thuis zat ondergedoken, maakt dit daarom niet anders. Ook de familieleden van eiser zijn, na het (enige) bezoek van acht maanden geleden, niet meer door de autoriteiten benaderd. Verweerder heeft er op kunnen wijzen dat uit de verklaringen van eiser niet is gebleken wat de reden van het bezoek was, dat zijn familie tijdens dit bezoek niet is bevraagd over enige spionage, dat is aangegeven dat eiser niet meer actief is voor de HDP en dat het incident inmiddels drie jaar geleden heeft plaatsgevonden. Het standpunt van de gemachtigde van eiser ter zitting dat uit het ambtsbericht blijkt dat personen zoals eiser worden opgepakt door de autoriteiten maakt dit niet anders, nu dit in het geval van eiser niet is gebeurd. Verweerder heeft er ter zitting immers op kunnen wijzen dat eiser na het incident is vrijgelaten, hij niet is vervolgd en er geen officiële arrestatie of tenlastelegging is. Verweerder heeft ook kunnen wijzen op de omstandigheid dat eiser Turkije legaal heeft verlaten. Dit betekent dat er geen maatregel, zoals een uitreisverbod, tegen eiser is opgelegd en dat de autoriteiten niet actief op zoek zijn naar hem. Eiser heeft geen individuele omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou blijken dat dit in zijn geval anders is. Verweerder heeft er verder op kunnen wijzen dat er geen sprake is van een zeer sterke politieke overtuiging. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser nog in Turkije is gestopt met zijn politieke activiteiten voor de HDP en dat hij deze activiteiten in Nederland niet opnieuw heeft opgepakt. Hierdoor is ook niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Turkije eventuele activiteiten zal uitvoeren. Verweerder heeft eiser hier voldoende over bevraagd en eiser heeft (ook ter zitting) niet geconcretiseerd wat verweerder hem nog had moeten vragen. Anders dan eiser stelt, verlangt verweerder geen terughoudendheid van eiser, maar gaat verweerder hierbij uit van het feit dat eiser zelf de keuze heeft gemaakt om te stoppen met zijn activiteiten voor de HDP en deze in Nederland niet opnieuw op te pakken. Dit zegt, anders dan eiser stelt, wel degelijk iets over de sterkte van zijn politieke overtuiging. Voor zover eiser verwijst naar landeninformatie en stelt dat de Turkse autoriteiten actief activisten in het buitenland in de gaten houdt en vervolgt, heeft verweerder zich ter zitting op het standpunt kunnen stellen dat dit niet geldt voor eiser, nu hij enkel als aanhanger wordt gezien en hij sinds zijn vertrek geen politieke activiteiten heeft verricht. Al deze omstandigheden wijzen er dan ook niet op dat eiser vanwege de op hem betrekkende factoren in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten.
Voor zover eiser stelt dat het incident van 26 april 2023 als ernstige mishandeling dient te worden aangemerkt, heeft verweerder dit niet hoeven volgen. Daarbij is van belang dat eiser heeft verklaard dat hij geen zwaar letsel heeft opgelopen door de mishandeling, dat hij geen medische behandeling nodig had en dat de wonden na een dag of drie vanzelf waren genezen. Ook is niet gebleken dat de mishandeling zwaar geestelijk letsel tot gevolg heeft gehad. Verweerder heeft daarom kunnen concluderen dat niet gesproken kan worden van ernstige mishandeling en dat eiser niet onder het traumatabeleid valt. Gelet op wat in rechtsoverweging 5.2 is overwogen, is niet aannemelijk dat een soortgelijke situatie zich opnieuw zal voordoen.
Gelet op al het voorgaande heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat niet is gebleken dat eiser persoonlijk wordt vervolgd door of in negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. Dit betekent dat verweerder zich ook niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije te maken zal krijgen met vervolging of ernstige schade. Van een motiveringsgebrek is geen sprake.
Militaire dienstplicht 6. Eiser heeft verder geen concrete informatie overgelegd waaruit zou blijken dat hij bij een eventuele militaire dienst te maken zal krijgen met mensenrechtenschendingen. Uit de aangedragen informatie kan immers geen individualiseerbaar risico voor eiser worden afgeleid. Daarbij komt dat er een afkoopregeling bestaat waarmee eiser de mogelijkheid heeft om de dienstplicht niet te vervullen.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft.
8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.