[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
Eiser heeft op 22 november 2025 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 5 februari 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H.N. Mahmoud als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1982, heeft de Jordaanse nationaliteit en behoort tot de Arabische bevolkingsgroep. Hij heeft verklaard dat hij homoseksueel is, dat hij in zijn huis is betrapt door zijn broer en dat hij hierna bedreigingen heeft ontvangen van zijn familieleden. Eiser vreest bij terugkeer naar Jordanië vermoord te worden door zijn familie.Het bestreden besluit3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:- identiteit, nationaliteit en herkomst;- eisers seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen.
Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig.Verweerder acht de seksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig. Daarbij is van belang dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo heeft eiser geen inzicht gegeven in de ontdekking van zijn gestelde homoseksualiteit, heeft hij vaag en oppervlakkig verklaard over zijn acceptatie als homoseksueel in Jordanië, strookt zijn verklaring dat hij voorzichtig was over zijn gerichtheid niet met zijn daadwerkelijke gedragingen en heeft hij niet inzichtelijk gemaakt dat hij romantische relaties heeft gehad met [naam 1], [naam 2] en [naam 3]. Ook heeft eiser geen informatie over de LGBTI organisaties in Jordanië en heeft hij enkel algemene informatie over de situatie van homoseksuelen in Nederland. Wat betreft de gestelde problemen die eiser zou hebben vanwege zijn homoseksuele gerichtheid, is van belang dat de voorzorgmaatregelen die eiser stelt te hebben genomen niet stroken met zijn gedragingen en dat er geen concrete aanknopingspunten zijn dat zijn familieleden op zoek zijn naar hem. Verweerder vindt dat eiser gelet op de wel geloofwaardig geachte delen bij terugkeer naar Jordanië geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade. Het enkele feit dat eiser uit Jordanië komt is hiervoor onvoldoende.Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Volgens eiser had verweerder hem aanvullend moeten horen, omdat de kwaliteit van het nader gehoor ondermaats was. Dit maakt de beschikking onzorgvuldig. Daarnaast bestrijdt eiser in zijn gronden de door verweerder tegengeworpen tegenwerpingen. Zo heeft verweerder volgens eiser niet gemotiveerd wat voor verklaringen er over zijn liefdesgevoel voor mannen ontbreken en waarom zijn verklaringen niet toereikend zijn. Ook hanteert verweerder een normatief verwachtingspatroon door van eiser te verwachten dat hij diepgaand over zijn acceptatieproces verklaart, terwijl hij zijn gerichtheid geheim moest houden. Daarnaast handelt verweerder in strijd met WI 2019/17 door eisers gedragingen en verklaringen als tegenstrijdig te kwalificeren, verweerder te hoge eisen stelt aan details en onvoldoende rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden en maatschappelijke context, zoals risico’s en taboes. Verweerder heeft dan ook alle asielmotieven geloofwaardig moeten vinden. Eiser is daarom van mening dat de bestreden beschikking is strijd is met de bepalingen van artikel 3 van het EVRM omdat hij bij terugkeer naar Jordanië onderworpen zal worden aan een onmenselijke en vernederende behandeling.
Wat is het oordeel van de rechtbank? Referentiekader 5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser en heeft hij voldoende doorgevraagd naar zijn asielmotieven. Verweerder heeft in het voornemen en het bestreden besluit uiteengezet wat volgens hem het referentiekader van eiser inhoudt en op welke wijze hij daar rekening mee heeft gehouden. Zo heeft verweerder betrokken dat eiser zijn middelbare school heeft afgerond en tot zijn vertrek altijd heeft gewerkt. Ook heeft verweerder betrokken dat eiser heeft gereisd en dat hij een Schengenvisum heeft aangevraagd. Hierdoor kan worden verwacht dat eiser kennis heeft opgedaan over onderwerpen die algemeen bekend zijn. Daarbij is ook van belang dat verweerder korte en gerichte vragen heeft gesteld en deze, indien nodig, heeft herhaald en verduidelijkt. Hiermee heeft verweerder voldoende rekening gehouden met het medisch advies waarin staat dat eiser moeite heeft met exacte data en een verkorte concentratie heeft. Ook heeft verweerder erop kunnen wijzen dat niet is gebleken dat eiser de tolk niet heeft kunnen verstaan. Dat eiser uit een cultuur komt waar hij zijn geaardheid niet vrijuit heeft kunnen ontwikkelen en beleven, maakt niet dat geen inzichtelijke of gedetailleerde verklaringen van eiser mogen worden verwacht, vooral nu eiser heeft gesteld meerdere langdurige relaties te hebben gehad. Bovendien is eiser inmiddels 43 jaar oud en heeft verweerder erop kunnen wijzen dat hij ruim de tijd heeft gehad om te reflecteren op de ontdekking van zijn gerichtheid en zijn voorgaande relaties.
De geloofwaardigheidsbeoordeling 6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser met zijn verklaringen zijn seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft mogen vinden dat zijn verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. In wat eiser in beroep naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder niet vast mocht houden aan de tegenwerpingen zoals verweerder die in dit verband heeft opgenomen in het voornemen en het bestreden besluit. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat van eiser – ook gelet op het gestelde referentiekader – meer mocht worden verwacht ten aanzien van zijn verklaringen over zijn bewustwording van zijn seksuele gerichtheid, zijn relaties en zijn gevoelens. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat eiser steeds verwijst naar seksuele handelingen en daarmee nalaat om de bewustwording van zijn homoseksuele gerichtheid inzichtelijk te maken. Verweerder heeft hierop tijdens het gehoor voldoende doorgevraagd en eiser zijn verklaringen zijn desondanks summier, oppervlakkig en onpersoonlijk gebleven. Verweerder heeft duidelijk vermeld wat hij onder het referentiekader van eiser verstaat en op welke wijze hij daarmee rekening heeft gehouden, ook ten aanzien van zijn persoonlijke omstandigheden. Verweerder heeft hier naar het oordeel van de rechtbank geen hoge eisen gesteld. Verweerder heeft dan ook niet in strijd met WI 2019/17 gehandeld. Verweerder heeft verder mogen tegenwerpen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt (romantische) relaties te hebben gehad met [naam 1], [naam 2] en [naam 3]. Dat deze relaties zich in het geheim hebben afgespeeld betekent niet dat van eiser geen inzicht mag worden verwacht in de gedachtes, gevoelens en eventuele overwegingen die hij hierbij heeft gehad. Dit geldt temeer gelet op de lange duur van de relaties. Zo was eiser tijdens zijn relatie met [naam 1] niet zo jong dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij over deze relatie met meer diepgang over zijn gevoelens had moeten verklaren. Ten aanzien van eisers relatie met [naam 3] is van belang dat zij ongeveer twaalf jaar een relatie met elkaar hebben gehad en dit een redelijk recente gebeurtenis is, waardoor verwacht mag worden dat eiser hier uitgebreider over zou moeten kunnen verklaren. Ook heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser in eerste instantie heeft verklaard dat hij niet zomaar tegen iemand zegt dat hij hem leuk vindt en eerst onderzoek doet omdat dit anders een risico is, maar hij vervolgens verklaard dat hij dit wel doet zonder zeker te zijn van diegene zijn seksuele gerichtheid. Dit is tegenstrijdig en strookt niet met eiser zijn verklaringen dat hij voorzichtig is met het uiten van zijn seksuele gerichtheid in een maatschappij waar homoseksualiteit als een taboe wordt gezien.
Nu verweerder niet ten onrechte heeft gesteld dat de seksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig is, heeft verweerder in het verlengde daarvan ook kunnen stellen dat de daaruit volgende problemen niet geloofwaardig zijn. De rechtbank is van oordeel dat verweerder al op basis van de voorgaande tegenwerpingen voldoende heeft gemotiveerd waarom hij de verklaringen van eiser over zijn seksuele gerichtheid en de als gevolg daarvan ontstane problemen ongeloofwaardig vindt. De overige tegenwerpingen die verweerder in de besluitvorming heeft genoemd, laat de rechtbank daarom onbesproken. Dit betekent dat verweerder zich ook niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Jordanië te maken zal krijgen met vervolging of ernstige schade.
Aanvullend horen 7. Nu de rechtbank in rechtsoverweging 6 tot en met 6.2 heeft geoordeeld dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser zijn seksuele gerichtheid niet aannemelijk heeft gemaakt, volgt de rechtbank eiser ook niet in zijn standpunt dat het nader gehoor ontoereikend is geweest. Daarbij is ook van belang dat eiser desgevraagd op zitting heeft verklaard dat hij alles heeft kunnen zeggen tijdens het nader gehoor en dat hij geen behoefte heeft om nog meer te vertellen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. 9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van N. Đukić, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.