ECLI:NL:RBDHA:2026:24582

ECLI:NL:RBDHA:2026:24582

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer NL25.45050
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

mvv. Jongvolwassenenbeleid, BEVA. Familierechtelijke relatie en voordeel van de twijfel. Geen sprake van familie- en gezinsleven. Het uitvoeren van nader onderzoek naar de familierechtelijke relatie zou voorgaande niet anders maken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie,

Inleiding

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.45050

V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. H.J. Janse),

en

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de door eiser ingediende aanvraag tot het verlenen van een mvv. Deze afwijzing is in bezwaar gehandhaafd. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 9 december 2022 een aanvraag voor een mvv voor het doel ‘verblijf als familie-of gezinslid’ ingediend. Hij wenst verblijft bij zijn dochter, tevens referente. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 1 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De minister heeft op 27 maart 2026 een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep stond gepland op 31 maart 2026, maar is uitgesteld omdat de gemachtigde van eiser verhinderd was doordat een andere zitting uitliep. De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 17 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?

3. Referente heeft de Syrische nationaliteit en heeft vanaf haar tweede levensjaar samengewoond met haar ouders in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE). Zij genoot daar verblijfsrecht omdat haar vader (eiser) beschikte over een werkvisum. Op 11 augustus 2020 heeft referente een studievisum verkregen voor een opleiding in Nederland en is zij in september 2020 vertrokken naar Nederland. Vanwege de coronapandemie is referente na een kort verblijf teruggegaan naar haar ouder(s). In juli 2021 is referente teruggekeerd naar Nederland om haar studie voort te zetten en om haar verblijfsrecht als student te behouden. Nadat referente in Nederland was aangekomen, vernam referente dat eiser vanuit de VAE definitief moest terugkeren naar Syrië. Referente heeft in augustus 2021 asiel aangevraagd en gekregen en verblijft sindsdien in Nederland. Eiser wil bij referente in Nederland verblijven.

Bestreden besluit

4. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat de familierechtelijke relatie tussen eiser en referente niet aannemelijk is gemaakt. Eiser en referente hebben weliswaar het voordeel van de twijfel gekregen, maar de minister heeft geen nader onderzoek aangeboden, omdat tussen hen geen sprake is van familie- en gezinsleven. De minister heeft zich namelijk op het standpunt gesteld dat referente niet valt onder het jongvolwassenenbeleid. Ook is er volgens de minister geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Omdat uit de beoordeling van de minister direct blijkt dat het bezwaar ongegrond is, heeft de minister het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Toetsingskader

5. Het beoordelingskader voor reguliere gezinsherenigingsaanvragen van een meerderjarig kind en zijn ouder(s) bestaat uit drie stappen. Bij stap 1 bepaalt de minister

aan de hand van zogenoemde ‘formele vereisten’ het kader waarbinnen hij een verzoek om gezinshereniging inhoudelijk kan beoordelen. De minister gaat na of sprake is van een gestelde gezinsband tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s). In het reguliere kader kan het meerderjarig kind een vreemdeling zijn die zich bij zijn ouder(s) in Nederland wil voegen óf een referent in Nederland die wil dat zijn ouder(s) zich bij hem voegen.

Bij stap 2 gebruikt de minister het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM zonder dat daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn vereist. Het jongvolwassenenbeleid bevat vier cumulatieve vereisten:

het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn;

met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven;

niet in zijn eigen onderhoud voorzien; en

geen zelfstandig gezin hebben gevormd.

In andere gevallen wordt, bij stap 3, familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen ouders en hun meerderjarige kinderen alleen aangenomen als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen het meerderjarige kind en zijn of haar ouder(s). Deze elementen kunnen zijn: samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid en de gezondheid van betrokkenen.

Overwegingen

Over het als herhaald en ingelast beschouwen van eerder ingediende stukken

6. Eisers stelling dat al hetgeen hij eerder naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, is onvoldoende om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op het bezwaarschrift. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op deze bezwaren volgens hem niet juist of ontoereikend is. De rechtbank zal zich dan ook alleen richten op wat eiser in beroep daarover heeft aangevoerd. De rechtbank verwijst ter onderbouwing hiervan naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).

Familierechtelijke relatie en voordeel van de twijfel

7. Eiser voert aan dat de minister in eisers aanvraag primair heeft afgewezen, omdat de familierechtelijke relatie tussen eiser en referente niet is aangetoond. Hij voert aan dat de vaststelling van de gestelde gezinsband een dragend element is voor het besluit. Eiser is van mening dat hij in de gelegenheid gesteld had moeten worden om zijn zienswijze te geven over het door Bureau Documenten negatief beoordeelde familieboekje. Omdat hij hiertoe niet in de gelegenheid is gesteld, is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen.

De rechtbank oordeelt dat het niet bestaan van een familierechtelijke relatie geen dragend element is van het bestreden besluit. Weliswaar is in het primaire besluit aangegeven dat dit de primaire afwijzingsgrond is, maar uit dat besluit en uit het besluit op bezwaar dat nu ter toetsing voorligt, blijkt dat eiser het voordeel van de twijfel is gegeven. De minister heeft eiser het voordeel van de twijfel gegeven en vervolgens heeft de minister de aanvraag getoetst vanuit het perspectief dat de familierechtelijke relatie wél aannemelijk is gemaakt. De minister heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat geen sprake is van familie- en gezinsleven. Het uitvoeren van nader onderzoek naar de familierechtelijke relatie zou het voorgaande niet anders maken.

Wordt er voldaan aan de vereisten van het jongvolwassenenbeleid?

8. Partijen verschillen er niet over van mening dat is voldaan aan het hiervoor onder punt 5.1. genoemde eerste en vierde vereiste. De minister stelt echter dat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is omdat aan de overige twee voorwaarden niet is voldaan. Eiser voert aan dat referente wel voldoet aan de criteria van het jongvolwassenenbeleid. De rechtbank zal dat hierna beoordelen.

Eiser voert aan dat, hoewel referente in eerste instantie als studente naar Nederland is gekomen, de minister dit ten onrechte heeft aangemerkt als het ‘zetten van stappen richting onafhankelijkheid.’ Toen referente voor de tweede keer in Nederland aankwam, heeft zij asiel aangevraagd en gekregen. Hieruit mag geconcludeerd worden dat het achterlaten van eiser uit nood is geboren.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat referentie niet voldoet aan het tweede vereiste van het jongvolwassenenbeleid (in gezinsverband samenwonen). Hierbij heeft de minister betrokken dat referente in 2020 vrijwillig naar Nederland is gekomen om te studeren. Daarmee heeft de minister mogen stellen dat referente bewust een stap naar zelfstandigheid heeft gezet. Dat referente nadien tijdelijk is teruggekeerd naar eiser vanwege de coronapandemie maakt dit niet anders. Pas bij de tweede inreis in Nederland heeft referente asiel aangevraagd. Uit het gehoor blijkt ook dat referente veel zelfstandig heeft gereisd en al sinds kind af aan de wens had om in het buitenland te studeren en te wonen en dat de keuze om zelfstandig naar het buitenland te vertrekken, haar eigen keuze was. De rechtbank volgt de minister in zijn conclusie dat referentes stappen naar zelfstandigheid niet voortkomen uit een noodzakelijke vlucht. Referente voldoet daarom niet aan het tweede cumulatieve vereiste van het jongvolwassenen beleid.

De rechtbank is verder van oordeel dat de minister heeft kunnen stellen dat referente in staat is om in haar eigen onderhoud te voorzien. Zo heeft referente verklaard dat zij tijdens haar meerderjarigheid heeft gewerkt in social media, in een schoenenwinkel en een sushirestaurant. Bovendien ontvangt referente een DUO-lening. Dat de moeder van referente daarnaast ook nog een bijdrage levert, doet niet af aan het feit dat referente in staat is om te werken, heeft gewerkt en gebruik maakt van overheidssteun. Er is dus geen sprake van daadwerkelijke financiële afhankelijkheid van uw ouder(s). Het beroep van eiser op een uitspraak van deze zittingsplaats slaagt niet, omdat het naar het oordeel van de rechtbank niet gaat om een vergelijkbare situatie. Referente voldoet daarom ook niet aan het derde cumulatieve vereiste van het jongvolwassenenbeleid.

De rechtbank volgt de minister dan ook in zijn stelling dat eiser niet voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid. Referente leeft namelijk niet in gezinsband met haar vader en kan in haar eigen onderhoud voorzien. De uitspraak waarnaar eiser verwijst, ziet op een andere situatie waarbij de betreffende jongvolwassene slechts één maand had gewerkt en er sprake was van een gedwongen vlucht en onvrijwillige stappen naar zelfstandigheid. De situatie van eiser en referente is daarmee niet vergelijkbaar. De beroepsgrond slaagt niet.

Is sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie?

9. Eiser betoogt dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, omdat er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen hem en referente. Met name aan de emotionele band tussen referente en eiser in onvoldoende gewicht toegekend. Volgens de minister is dat niet het geval. De minister heeft voor wat betreft de emotionele band ter zitting verwezen naar de arresten Kumari t. Nederland en Mahamud t. Nederland van het EHRM.

Uit de uitspraken van de Afdeling van 27 maart 2024 volgt dat er familieleven kan bestaan tussen meerderjarige familieleden buiten het kerngezin, als er tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Het gaat er vooral om of sprake is van een op basis van objectieve of objectiveerbare feiten en omstandigheden vast te stellen afhankelijkheid tussen de betrokken volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. De minister moet een brede beoordeling maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. In de beoordeling moeten, voor zover deze zijn aangevoerd, elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen, de banden met het land van herkomst, de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond een rol spelen. De bestuursrechter moet het onderzoek van de minister naar de relevante feiten en omstandigheden en de gegeven motivering of er gezinsleven bestaat, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft de minister beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.

Zoals overwogen in 8.3. is echter niet gebleken dat de scheiding van eiser en referente niet vrijwillig was. Dit betekent dat het in gezinsverband samenwonen slechts een lichte indicatie is dat er sprake kan zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Ook de financiële situatie duidt niet op afhankelijkheid, omdat referente zelf verklaart niet langer financieel afhankelijk te zijn van eiser. Dat zij zich emotioneel verbonden voelt en haar vader graag om haar heen heeft is begrijpelijk, maar het dagelijkse contact laat zien dat de onderlinge band ook op afstand kan worden onderhouden. Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die wijzen op een bijzondere emotionele of medische afhankelijkheid tussen referente en eiser. Ten aanzien van eiser banden met het land van herkomst heeft de minister niet ten onrechte opgemerkt dat eiser is geboren in Syrië, daar is opgegroeid, de taal spreekt en de cultuur, gebruiken en gewoonten kent. Hij heeft geen banden met Nederland, afgezien van het feit dat referente hier woont.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister alle door eiser aangedragen feiten en omstandigheden heeft betrokken en in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister heeft kunnen concluderen dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Door eiser is niets aangevoerd waaruit blijkt dat de minister de afzonderlijke elementen niet goed heeft gewogen. Eiser heeft ook niet duidelijk gemaakt hoe de samenhang tussen de elementen, die ieder afzonderlijk onvoldoende zwaarwegend zijn, tot een andere conclusie moet leiden.

Belangenafweging

10. Gelet op wat in 8 tot en met 9.3 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen belangenafweging meer hoeft plaats te vinden. Gelet op de eerder onder 9.1 genoemde uitspraken van de Afdeling van 27 maart 2024 hoeft de minister namelijk geen belangenafweging te maken wanneer hij terecht heeft gesteld dat er geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

Heeft de minister de aanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond?

11. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het houden van een hoorzitting. Eiser had gehoord moeten worden over de reden waarom referente stappen naar zelfstandigheid heeft gezet en de emotionele band tussen referente en eiser. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

De rechtbank volgt de minister in zijn betoog dat hij in de kennisgeving van 1 november 2024 afdoende gemotiveerd is ingegaan op de stappen die referente heeft gezet naar zelfstandigheid. Hierbij zijn ook verklaringen betrokken die tijdens het referentgehoor op 27 september 2024 zijn afgelegd. Ook voor wat betreft de emotionele band tussen eiser en referente heeft de minister een gemotiveerde onderbouwing gegeven. Hierbij zijn ook verklaringen betrokken die tijdens het referentgehoor op 27 september 2024 zijn afgelegd. De minister heeft verder terecht overwogen dat eiser geen nieuwe omstandigheden in het bezwaarschrift naar voren heeft gebracht en dat er geen gronden zijn die extra uitleg behoeven. Omdat uit de beoordeling van de minister is gebleken dat het bezwaar kennelijk ongegrond is, heeft de minister eiser niet in de gelegenheid hoeven stellen om zijn bezwaar in een hoorzitting toe te lichten.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand wordt gelaten. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is ondertekend en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand