Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/710866 / KG ZA 26-892
Vonnis in kort geding van 28 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats] ,
eiser, hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. N. Roovers,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,
gedaagde, hierna te noemen: de Staat,
advocaat: mr. M.N. Schouten.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 augustus 2026 met producties 1 tot en met 15;
- de op 24 augustus 2026 ingediende productie 16;
- de namens beide partijen overgelegde pleitnotities.
Op 26 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
[eiser] is door de strafkamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 26 augustus 2024 een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van twaalf maanden (waarvan drie voorwaardelijk) ter zake van het overtreden van de Opiumwet.
Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) heeft [eiser] bij brief van 3 februari 2026 opgeroepen om zich op 1 april 2026 te melden voor de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde gevangenisstraf. [eiser] heeft vervolgens om uitstel gevraagd.
Bij brief van 24 maart 2026 heeft DJI [eiser] bericht dat in de gronden van het verzoek van [eiser] en in de onderliggende bewijzen voldoende aanleiding wordt gezien om een éénmalig uitstel te verlenen tot 1 september 2026, zodat hij in die periode de zorg kan dragen voor zijn moeder en dat hij de komende maanden kan benutten om zich voor te bereiden op de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf. [eiser] is bericht dat hij tijdig maatregelen en voorzieningen moet treffen om de gevolgen van de aanstaande detentie op te vangen. Ook is hij erop gewezen dat hij de uitstelperiode moet gebruiken om de noodzakelijke voorbereidingen te treffen voor zijn moeder, zodat de zorg indien nodig kan worden overgedragen. Daarnaast is hem bericht dat van hem wordt verwacht dat hij vervanging voor zijn bedrijf regelt en eventueel opvang voor zijn zoon. [eiser] is bericht dat hem verder geen uitstel meer zal worden verleend.
Bij brief van 24 maart 2026 heeft DJI [eiser] opgeroepen om zich op 1 september 2026 te melden bij de Penitentiaire Inrichting [regio] voor het ondergaan van de hem opgelegde gevangenisstraf.
[eiser] heeft bij e-mailbericht van 23 juli 2026 en 3 augustus 2026 weer verzocht om uitstel van zijn melddatum. DJI heeft dat verzoek afgewezen en het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard. [eiser] heeft daartegen bij de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) beroep ingesteld. Ook heeft hij bij de voorzitter van de beroepscommissie een verzoek tot schorsing van de afwijzende beslissing gedaan. De voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ heeft op 10 augustus 2026 het verzoek tot schorsing afgewezen omdat de beroepscommissie – naar alle waarschijnlijkheid – uitspraak zal doen voordat [eiser] zich moet melden, zodat hij geen spoedeisend belang heeft bij een toewijzing van zijn verzoek.
Bij uitspraak van 12 augustus 2026 heeft de RSJ geconcludeerd dat de bestreden beslissing niet als onredelijk of onbillijk kan worden aangemerkt, zodat het beroep van [eiser] daartegen ongegrond wordt verklaard. De RSJ heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
Over de mantelzorg voor de moeder van [eiser] heeft de RSJ overwogen dat [eiser] sinds de eerste meldoproep zeven maanden de tijd heeft gekregen om de zorg voor zijn moeder over te dragen, terwijl niet duidelijk is geworden welke stappen [eiser] daartoe uiteindelijk heeft ondernomen. De beroepscommissie oordeelt dat [eiser] voldoende tijd heeft gehad om de gevolgen van zijn detentie te ondervangen. Voor wat betreft de stelling van [eiser] dat gezondheidssituatie van zijn moeder is verslechterd, heeft de beroepscommissie geoordeeld dat [eiser] daartoe geen (medische) stukken heeft overgelegd;
Over de zorg voor de zoon van [eiser] heeft de RSJ overwogen dat [eiser] voldoende tijd heeft gehad om de volgen van zijn detentie te ondervangen. De RSJ heeft daarbij geoordeeld dat onduidelijk is welke stappen [eiser] daartoe heeft ondernomen. Ook is daarbij geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is dat er voor de zorg van [eiser] 's zoon geen beroep kan worden gedaan op (onder meer) zijn ex-partner;
Voor wat betreft de gevolgen van detentie voor het bedrijf van [eiser] heeft de RSJ geoordeeld dat financiële gevolgen op zichzelf onvoldoende zijn om (nogmaals) uitstel te verlenen. Verder heeft de RSJ geoordeeld dat niet gebleken is welke stappen [eiser] zelf heeft ondernomen om zich voor te bereiden op zijn detentie. Voor wat betreft de stelling van [eiser] dat hij uitstel wil om een bedrijfswaarnemer en structurele dierenzorg te organiseren, heeft de RSJ geoordeeld dat niet gebleken is dat [eiser] daar niet eerder voldoende tijd voor heeft gehad;
Ten aanzien van een door [eiser] ingediend gratieverzoek heeft de RSJ geoordeeld dat indiening daarvan geen opschortende werking van rechtswege heeft en dat [eiser] de eventuele uitkomst van het gratieverzoek in beginsel dan ook niet in vrijheid zal mogen afwachten; en
De RSJ heeft verder overwogen dat zij niet bevoegd is om te beslissen tot het ondergaan van een alternatieve straf en dat zij op dit moment ook geen aanleiding ziet om de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op te dragen te onderzoeken of en op welke termijn [eiser] zou kunnen deelnemen aan een penitentiair programma.
3. Het geschil
[eiser] vordert, voor zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
primair
de Staat te verbieden de meldplicht per 1 september 2026 ten uitvoer te leggen en [eiser] te doen opnemen of arresteren, alsmede de meldplicht voor zes maanden te schorsen, althans voor een door de voorzieningenrechter te bepalen kortere periode te schorsen die voldoende is om de actuele medische, familiale, kind-, bedrijfsmatige, dierenwelzijns- en veiligheidsbelangen te onderzoeken teneinde de zorg voor de moeder, de belangen en contactcontinuïteit van de minderjarige zoon, de dierenzorg en de bedrijfsvoering verantwoord te kunnen organiseren en te realiseren;
daarbij te bepalen dat eiser [eiser] gedurende een eventueel toegewezen schorsing gehouden is de door de voorzieningenrechter geraden voorwaarden na te leven, waaronder bereikbaarheid, medewerking aan reclasseringsonderzoek, overlegging van zorg-, contact- en bedrijfscontinuïteitsplannen, bewijs van concrete vervangingspogingen en gehoorzaamheid aan een nieuwe meldoproep;
subsidiair
een zodanige andere voorlopige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht;
met veroordeling van de Staat in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten, althans te beslissen tot een compensatie van de proceskosten.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan.
Tenuitvoerlegging van de straf van [eiser] is evident onredelijk. Er zijn objectief aantoonbare feitelijke misslagen, althans onachtzaamheden in de uitspraak van de RSJ van 12 augustus 2026 en het is noodzakelijk om ernstige en onomkeerbare derdenbelangen te beschermen zonder dat de straf zelf hoeft te worden aangetast. Een beperkt uitstel van de straf raakt het executiebelang tijdelijk, terwijl onmiddellijke detentie kan leiden tot zorgontregeling, aantasting van een kwetsbare vader-kindrelatie, dierenwelzijndsproblemen en verlies van een levensvatbare onderneming.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
In deze procedure ligt de vraag voor of het de Staat moet worden verboden om de aan [eiser] opgelegde vrijheidsstraf per 1 september 2026 ten uitvoer te leggen.
De Staat stelt zich op het standpunt dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen. De voorzieningenrechter volgt de Staat hierin. Daarvoor is het volgende van belang.
Nadat [eiser] uitstel was verleend voor het ondergaan van de aan hem opgelegde vrijheidsstraf, heeft DJI [eiser] op 24 maart 2026 opgeroepen om zich op 1 september 2026 te melden bij de Penitentiaire Inrichting [regio] voor het ondergaan van zijn vrijheidsstraf. Omdat [eiser] nog een uitstel van zijn gevangenisstraf wilde, heeft hij tegen deze oproeping bezwaar gemaakt en, nadat dit bezwaar is afgewezen, tegen de beslissing op bezwaar beroep ingesteld bij de RSJ. Volgens vaste jurisprudentie is deze beroepsprocedure bij de RSJ een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Dat is tussen partijen overigens ook niet in geschil. Voor [eiser] stond er dan ook een rechtsgang bij de RSJ open om tegen de beslissing over de aanvang van zijn gevangenisstraf op te komen, en hij heeft die rechtsgang ook doorlopen.
Het Nederlandse rechtssysteem kent een gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dat houdt in dat een rechterlijke uitspraak niet anders dan door het aanwenden van een rechtsmiddel kan worden aangetast. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat er daarmee aan in de weg dat [eiser] , die de procedure bij de RSJ heeft doorlopen, maar daarin niet het door hem gewenste resultaat heeft verkregen, nu via een andere route, namelijk de route bij de burgerlijke (voorzieningen)rechter, nog een keer probeert om het door hem gewenste resultaat te bereiken. De voorzieningenrechter moet uitgaan van de juistheid van de uitspraak van de beroepsrechter van de RSJ en van de aanvaardbaarheid van de procedure die tot die uitspraak heeft geleid. Zelfs als het al zo zou zijn dat de RSJ een fout heeft gemaakt omdat de (korte) verklaring van de huisarts die [eiser] heeft overgelegd niet als een medische onderbouwing heeft opgevat of deze over het hoofd heeft gezien, dan kan dit nog steeds niet leiden tot een herbeoordeling bij de burgerlijke voorzieningenrechter. [eiser] zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zowel zijn primaire als zijn subsidiaire vordering, nu deze beide erop zijn gericht om in te grijpen op de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 1.177
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.101
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026.
ddg