[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Armeense nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).
Inleiding
1. Bij besluit van 21 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw (de vrijheidsbeperkende maatregel).
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank, aan de hand van de beroepsgronden, uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Overwegingen
3. Uit artikel 56, eerste lid, van de Vw volgt dat de minister, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te geven regels, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, de vrijheid van beweging kan beperken van de vreemdeling die:
4. De minister heeft eiser op grond van artikel 56 van de Vw verplicht om, met ingang van 25 november 2025, te verblijven in de gemeente Westerwolde, waar hij zich in de VBL dient op te houden. De minister heeft overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert en acht hierbij van belang dat eiser niet heeft voldaan aan de rechtsplicht om uit eigen beweging Nederland te verlaten. Ook beschikt eiser niet over een vaste woon- of verblijfsplaats en heeft hij onvoldoende middelen van bestaan. De minister heeft in aanvulling hierop overwogen dat de vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd om toezicht te kunnen houden of eiser daadwerkelijk ook invulling geeft aan zijn verplichting om actief te werken aan vertrek indien hij geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland.
5. Eiser voert aan dat hij Nederland inderdaad niet uit eigen beweging heeft verlaten. Er loopt immers nog een hoger beroep in zijn procedure op grond van artikel 64 van de Vw. Dit hoger beroep is door de Afdeling aangehouden in afwachting van de uitkomst in andere zaken. Ook betoogt eiser dat de stichting INLIA garant staat voor een vaste woon- of verblijfplaats en middelen van bestaan. Dat eiser niet staat ingeschreven in de BRP is inherent aan zijn verblijfsrechtelijke situatie. Hij is volledig beschikbaar voor alle diensten van de overheid. Gelet op zijn medische omstandigheden acht eiser het van belang om zijn verblijf bij INLIA te kunnen voortzetten. Verder voert eiser aan dat de besluitvorming niet juist tot stand is gekomen. Zo is hij niet tijdig geïnformeerd over het voornemen om de maatregel op te leggen. Daarnaast is ontoereikend gemotiveerd waarom niet met een lichter middel had kunnen worden volstaan. Eiser betoogt tot slot dat de medische zorg in de VBL op geen enkele wijze aansluit op de zorg die hij ontving in Groningen.
De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank stelt vast dat eiser een aantal procedures heeft doorlopen die niet tot vergunningverlening hebben geleid. Zo heeft de minister bij besluit van 10 november 2023 de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard en een inreisverbod van twee jaar aan eiser opgelegd. Het daartegen ingediende beroep is bij uitspraak van 26 januari 2024 door deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond verklaard. Daarnaast is het beroep gericht tegen de afwijzing van de ambtshalve beoordeling om uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw eveneens ongegrond verklaard. Op eiser rust daarom de rechtsplicht uit eigen beweging Nederland te verlaten. Een ingediend hoger beroep of een verzoek om een voorlopige voorziening heeft geen schorsende werking en staat daardoor niet in de weg aan het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel. Dit betekent dat de minister dan ook terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat hij niet heeft voldaan aan zijn vertrekplicht. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf meer en daarom ook geen recht op opvang en voorzieningen. Ook staat eiser niet met een vaste woon- of verblijfplaats ingeschreven in de BRP en heeft hij ook geen eigen zelfstandige middelen van bestaan. De rechtbank benadrukt dat plaatsing in de VBL niet alleen dient om erop te kunnen toezien dat eiser daadwerkelijk werkt aan zijn vertrek, maar ook dat hiermee aan hem in ieder geval opvang wordt geboden met daarbij de garantie van medische zorg. Buiten de VBL heeft eiser deze voorzieningen niet. Daarnaast heeft eiser niet aangetoond dat de medische zorg in de VBL niet toereikend is en van mindere kwaliteit dan de zorg die hij eerder in Groningen heeft gekregen. Ook voor het overige ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat plaatsing in de VBL geen geschikt middel is voor eiser. Gelet op al deze omstandigheden heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het belang van de openbare orde de maatregel vordert en dat geen lichter middel kon worden opgelegd. De beroepsgrond dat eiser door de minister niet tijdig is geïnformeerd over het voornemen om onderhavige maatregel van 21 november 2025 op te leggen, wordt niet gevolgd. Uit het verslag van het op 30 september 2025 plaatsgevonden vertrekgesprek blijkt namelijk dat aan eiser is medegedeeld dat overplaatsing naar de VBL kan plaatsvinden als hij geen acties onderneemt om vrijwillige terugkeer naar Armenië te realiseren.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.