ECLI:NL:RBDHA:2026:24592

ECLI:NL:RBDHA:2026:24592

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer NL26.46475
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Artikel 6, derde lid Vw, grensdetentie, LHBTI, onttrekkingsrisico, lichter middel, automatisme, asielaanvraag ingewilligd, maatregel opgeheven, PKV, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.46475

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. S. Sewnath),

en

(gemachtigde: mr. I van Es).

Procesverloop

1. Bij besluit van 13 augustus 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw in kennis gesteld van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De minister heeft de maatregel op 20 augustus 2026 opgeheven.

Namens eiser zijn op 17 augustus 2026 gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 20 augustus 2026 hierop gereageerd. De gemachtigde van eiser heeft op

20 augustus 2026 een aanvullende reactie ingediend. De rechtbank heeft het beroep op

21 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Waarover gaat deze uitspraak?

2. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Het beroep is ongegrond. Zij legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt.

Wat vindt eiser?

3. Eiser betoogt dat grensdetentie geen automatisme mag zijn, terwijl dit wel volgt uit WI 2026/23. Grensdetentie moet een uiterste redmiddel zijn en daarbij zijn een individuele noodzakelijkheidstoets en een onderzoek naar een lichter middel vereist. Eiser verwijst daarbij naar recente uitspraken van de rechtbank Amsterdam en de rechtbank Roermond. Eiser stelt daarbij dat in de maatregel is volstaan met de standaardformulering dat de maatregel berust op het grensbewakingsbelang en dat een minder dwingende maatregel niet kan worden toegepast. Eiser meent dat er geen individuele noodzakelijkheidstoets heeft plaatsgevonden. Al voor het opleggen van de maatregel was bekend dat eiser vanwege zijn seksuele geaardheid een asielwens had. Eiser meent dat zijn aanvraag zich dan ook niet leent voor de asielgrensprocedure, omdat de erkenningspercentages uit artikel 42, eerste lid en onder j van de Procedureverordening niet representatief kunnen worden geacht voor zijn beschermingsbehoefte. Eiser stelt dat er juist alle reden is om aan te nemen dat hij zich niet zal onttrekken aan het toezicht, zodat een lichter middel voor de hand ligt. Eiser heeft namelijk medewerking verleend aan alle stappen in de procedure en inzicht gegeven in zijn reisroute en documenten. De minister had daarom een alternatief voor grensdetentie moeten onderzoeken. De minister heeft niet kenbaar onderzocht waarom in het geval van eiser geen minder dwingende maatregel mogelijk was. De minister heeft eisers eigen verklaring dat hij geen bezwaar had tegen opvang in geen gesloten detentiecentrum niet tegen hem mogen gebruiken, zoals volgt uit rechtspraak van de rechtbank Roermond.

Eiser voert onder verwijzing naar artikel 8, vijfde lid, onder a en artikel 12, eerste lid van de Verordening EU 2024/1356 dat de uitgevoerde screening mede moet bestaan uit een voorlopige medische controle en dat deze wordt uitgevoerd door gekwalificeerd medisch personeel. Eiser meent dat uit het dossier niet blijkt dat er een dergelijke medische controle heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de oplegging van de maatregel. De notities van de Kmar zijn onvoldoende en de medische intake die plaatsvindt na de oplegging van de grensdetentie kan deze controle niet vervangen. Eiser wijst op de vragen die de Afdeling heeft gesteld ten aanzien van dit onderwerp. Eiser merkt op dat hij later tegenover de IND heeft verklaard over het feit dat hij is afgekeurd voor militaire dienst en over bezoek aan een psycholoog in verband met geestelijke en psychische problemen. Deze informatie is niet naar voren gekomen bij de beantwoording van de standaardvragen door de Kmar. Eiser verwijst ook naar het CPT-rapport waarin het belang van de daadwerkelijke medische screening wordt bevestigd.

Eiser voert ten slotte aan dat onduidelijk is op welk moment de minister op de hoogte was van de omstandigheden die uiteindelijk hebben geleid tot de opheffing van de grensdetentie.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

4. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure.

Op grond van artikel 5.5, tweede lid van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

De screeningsprocedure en de medische situatie van eiser

5. De rechtbank overweegt dat artikel 8, achtste lid, van de Screeningsverordening voorschrijft dat gewaarborgd wordt dat de te screenen vreemdeling toereikende leefomstandigheden wordt geboden, met bescherming van diens lichamelijke en geestelijke gezondheid met inachtneming van rechten uit hoofde van het Handvest. Op grond van artikel 6 van de Screeningsverordening mag de vreemdeling tijdens de screening aan de buitengrens niet tot het grondgebied van een lidstaat worden toegelaten. Dit is nodig om elk risico op onderduiken, mogelijke bedreigingen voor de binnenlandse veiligheid als gevolg van dergelijk onderduiken of mogelijke gevaren voor de volksgezondheid als gevolg van dergelijke onderduiken te voorkomen.

De beroepsgrond dat de screeningsprocedure niet heeft plaatsgevonden dan wel niet is beëindigd, omdat er tijdens de screeningsprocedure geen medische controle heeft plaatsgevonden, slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat blijkens het screeningsformulier tijdens de screeningsprocedure een voorlopige kwetsbaarheidsbeoordeling heeft plaatsgevonden door medisch gekwalificeerd personeel als bedoeld in artikel 12, derde lid, van de Screeningsverordening. Uit artikel 16, eerste lid, van de Schengengrenscode, volgt immers dat ambtenaren van de Kmar zijn opgeleid op het gebied van het herkennen van en het omgaan met situaties waarin kwetsbare personen betrokken zijn. De rechtbank stelt vast dat de Kmar in de zaak van eiser bij de eerste beoordeling betrokken is geweest. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat de minister voorafgaand aan zijn afweging om de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen wel degelijk op zorgvuldige wijze heeft beoordeeld of eiser detentiegeschikt is dan wel een lichter middel voor eiser vanwege zijn medische situatie zou zijn aangewezen. De vragen en antwoorden in de procedure die nu voorligt bij de Afdeling leiden niet tot een ander oordeel. Ook het feit dat eiser bij de IND meer heeft verklaard over zijn medische geschiedenis maakt niet dat sprake is geweest van een onzorgvuldige procedure.

Afdoening van eisers aanvraag in de asielgrensprocedure

6. Ten aanzien van de grond dat de asielaanvraag zich vanwege eisers geaardheid niet leent voor afdoening in de asielgrensprocedure overweegt de rechtbank als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2016 volgt dat in beginsel alle aan de buitengrens gedane asielaanvragen mogen worden beoordeeld in de grensprocedure. De minister behoeft bij het opleggen van de maatregel geen toets vooraf te verrichten naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek. De minister moet een redelijke termijn worden gegund om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van de vreemdeling en of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure. Onder dat onderzoek valt onder meer dat een vreemdeling dient te worden gehoord over zijn asielverzoek. De vraag of het asielverzoek zich leent voor verdere afdoening in de grensprocedure beantwoordt de minister in beginsel na het nader gehoor, omdat dan alle relevante feiten bekend zijn. Eiser is op 19 augustus 2026 gehoord, van 9.18 tot 16.37 uur. De daaropvolgende dag is de asielaanvraag van eiser ingewilligd en is de vrijheidsbenemende maatregel opgeheven. In wat eisers heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister bovenstaand onderzoek niet mocht afwachten. De beroepsgrond slaagt niet.

Automatisme

7. De rechtbank stelt voorop dat eiser in bewaring is gesteld op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Mede gelet op artikel 5.5 en 5.6 van het Vb geldt bij deze grondslag niet als voorwaarde dat sprake moet zijn van een onderduikrisico. De maatregel kan worden opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Uit vaste rechtspraak volgt dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken. Het grensbewakingsbelang kan daarom in beginsel enkel worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel.

De rechtbank overweegt daarbij dat niet in geschil is dat eiser aan de buitengrens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw.

De rechtbank onderschrijft het algemene uitgangspunt dat het opleggen van de maatregel van grensdetentie geen automatisme moet zijn, maar juist het resultaat van de toepassing van een bevoegdheid. Dat betekent dat de minister ook moet kunnen besluiten om de maatregel van grensdetentie achterwege te laten. De minister dient daarom steeds te beoordelen of met een lichter middel kan of moet worden volstaan, ook al geeft hij dan het grensbewakingsbelang prijs. Dat onderschrijft de minister ook. Ook in WI 2026/23 staat opgenomen welke aanvragen zijn uitgezonderd van de asielgrensprocedure. Eén van die uitzonderingen is dat grensdetentie voor een vreemdeling wegens bijzondere individuele omstandigheden onevenredig bezwarend is. Daarbij wordt verwezen naar artikel 5.1a, derde lid, van het Vb. De werkwijze van de minister is dus, voor zover hier van belang, dat de vreemdeling die aan de buitengrens een asielaanvraag doet maar niet voldoet aan de voorwaarden voor toelating, in de grensprocedure wordt opgenomen en dat daarbij in beginsel de maatregel van grensdetentie wordt opgelegd, tenzij sprake is van bijzondere individuele omstandigheden waardoor grensdetentie onevenredig bezwarend is (verdere uitzonderingen daargelaten). De vaststelling dat de grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang te dienen en dat dit belang ook zwaar weegt, betekent dan ook niet dat automatisch de vrijheidsontnemende maatregel van grensdetentie is opgelegd of dat er een automatische koppeling is tussen het grensbewakingsbelang en het opleggen van grensdetentie. De verwijzing van eiser naar de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaatsen Amsterdam en Roermond, slaagt dan ook niet. De afweging daarover in het geval van eiser bespreekt de rechtbank hierna (onder het kopje ‘lichter middel’).

Lichter middel

8. De rechtbank stelt vast dat de minister in de maatregel een overweging heeft gewijd aan de vraag of aan eiser een lichter middel opgelegd had moeten worden. De rechtbank overweegt verder dat uit het proces-verbaal van gehoor van 13 augustus 2026 blijkt dat de minister eiser heeft gevraagd naar bijzondere (medische) omstandigheden in het kader van een lichter middel. Eiser heeft hierop geantwoord dat voor hem zijn veiligheid het belangrijkste is, dus dat het geen probleem is dat eiser naar een gesloten opvang gaat. Verder heeft hij geen medische omstandigheden gemeld, maar aangegeven dat er geen andere (spoedeisende) omstandigheden zijn die maken dat hij zijn aanvraag in vrijheid zou moeten doorlopen. De minister heeft daarom terecht in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de maatregel onevenredig bezwarend is. Er is sprake van een individuele beoordeling omdat minister alles heeft meegewogen wat door eiser in het gehoor is aangevoerd. De verwijzing naar de uitspraken van zittingsplaatsen Roermond en Middelburg leiden niet tot een ander oordeel, omdat van vergelijkbare zaken geen sprake is.

Ambtshalve toetsing

9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel op enig moment onrechtmatig is geweest.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van

E.S. Tiggelaar, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H. Hanssen - Telman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand