RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.47650 en NL26.47651
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 15 augustus 2026 (bestreden besluit 1, zaaknummer NL26.47651) is aan eiseres op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van de Schengengrenscode de toegang tot Nederland geweigerd en bij besluit van diezelfde datum (bestreden besluit 2, zaaknummer NL26.47650) is aan eiseres op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van de toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede te zijn gericht tegen de toegangsweigering.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres is geboren op [datum] 1997 en heeft de Paraguayaanse nationaliteit.
Feiten en omstandigheden
2. Eiseres is op 15 augustus om 14:20 uur aangekomen op Schiphol met een vlucht vanuit Sao Paulo. Om 15:45 uur is er een grenscontrole uitgevoerd. Op basis van deze eerstelijnscontrole ontstond er twijfel of eiseres voldeed aan de voorwaarden voor toegang. Op grond van artikel 8, vijfde lid, van de Schengengrenscode is een tweedelijnscontrole uitgevoerd. Vervolgens is aan eiseres op 15 augustus 2026 de toegang tot het grondgebied van de lidstaten geweigerd en is aan haar een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Op 18 augustus 2026 is eiseres overgebracht naar detentiecentrum Zeist en is aan haar een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering van 15 augustus 2026)
3. Verweerder heeft eiseres de toegang geweigerd omdat eiseres:
- het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden niet heeft kunnen staven; - niet over voldoende middelen van bestaan kan beschikken voor zowel de duur van het voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar het land van herkomst of voor de doorreis naar een derde land, waar de toegang is gewaarborgd, dan wel niet in staat is deze middelen rechtmatig te verwerven.
4. Verweerder heeft ter zitting de tegenwerping dat eiseres niet over voldoende middelen van bestaan beschikt voor de duur van het voorgenomen verblijf laten vallen.
5. Eiseres voert aan dat de toegangsweigering ten onrechte is opgelegd. Zij heeft ter onderbouwing een bevestiging van haar heen- en terugvlucht, een hotelreservering in Spanje, verklaringen van haar vriend en diens moeder en kopieën van hun paspoorten overgelegd. Daarnaast heeft zij een begeleidende brief overgelegd waarin haar persoonlijke omstandigheden en de achtergrond van haar reis zijn toegelicht. Eiseres stelt dat zij slechts kort op vakantie komt met het doel om haar vriend in Spanje te bezoeken. Volgens eiseres blijkt uit de overgelegde stukken onmiskenbaar dat zij na haar verblijf naar haar land van herkomst zou terugkeren. Daarbij is zij als Paraguayaanse visumvrij gerechtigd tot kort verblijf in het Schengengebied. Er zijn geen aanwijzingen dat zij voornemens was tijdens haar verblijf andere activiteiten in Europa te ontplooien. Bovendien volgt uit de hotelreservering dat zij voor de duur van haar voorgenomen verblijf in Spanje over accommodatie beschikte, die aansluit op de periode tussen haar aankomst en haar geplande terugvlucht.
6. De rechtbank ziet geen aanleiding om de toegangsweigering onrechtmatig te achten. Eiseres heeft bij aankomst verklaard dat zij op doorreis was naar Spanje voor een bezoek aan de FERIA beurs in Malaga en voor een strandvakantie. Zij had een hotelreservering voor één nacht en niet voor de andere dagen, omdat zij eerst de verblijfsplaatsen wilde zien. Eiseres zou rechtstreeks naar het hotel gaan. Zij heeft er geen kennissen. Aan de Koninklijke Marechaussee heeft zij een e-mail met de hotelreservering getoond. Daarbij heeft zij verklaard dat deze reservering door een voormalige vrouwelijke collega was gemaakt en dat zij na aankomst in Spanje op zoek zou gaan naar goedkopere accommodatie voor het vervolg van haar verblijf. De toelichting die eiseres in beroep heeft gegeven over het doel en de verblijfsomstandigheden van haar verblijf wijkt wezenlijk af van wat zij bij de controle heeft verklaard. Deze tegenstrijdigheid doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van haar verklaringen over het voorgenomen verblijf. Daarbij komt dat uit de in beroep overgelegde hotelreservering voor de duur van vijf nachten, die bovendien aanvangt op de dag na de geplande aankomst in Malaga, niet blijkt wanneer deze is gemaakt. Ook uit de verklaring van de moeder van de vriend van eiseres is op te maken dat zij de hotelreservering heeft gemaakt voor eiseres en dat zij slechts één overnachting had geboekt. Niet valt in te zien waarom eiseres bij aankomst op wezenlijke punten anders heeft verklaard over het doel en de omstandigheden van haar verblijf dan zij in beroep naar voren brengt. Verweerder heeft dan ook terecht aan de toegangsweigering ten grondslag gelegd dat eiseres het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden niet heeft kunnen staven. De beroepsgrond slaagt niet.
Over bestreden besluit 2 (vrijheidsontnemende maatregel van 18 augustus 2026)
7. Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
8. Eiseres voert aan dat haar ten onrechte de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, omdat haar ten onrechte de toegang tot Nederland is geweigerd.
9. Hiervoor is al geoordeeld dat verweerder eiseres terecht de toegang tot Nederland heeft geweigerd. Aan de vrijheidsontnemende maatregel ligt dus een rechtmatige toegangsweigering ten grondslag. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Ambtshalve toetsend stelt de rechtbank vast dat de motivering over het zicht op uitzetting in de maatregel ontbreekt. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat er op dit moment zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat gelet op de afgegeven removal order en de aanwezigheid van geldige reisdocumenten. Niet is gebleken dat eiseres door het motiveringsgebrek in haar belangen is geschaad. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
11. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
Conclusie
12. De beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 zijn ongegrond. Omdat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is, wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Gelet op het geconstateerde motiveringsgebrek in bestreden besluit 2 is er aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1868,00.
Deze uitspraak is gedaan op 28 augustus 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.