RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47887
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
(gemachtigde: mr. L. Hartog).
Procesverloop
Bij besluit van 19 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Verweerder heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld..
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep
wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Eiser heeft zich, daarnaar gevraagd, akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het
beroep. Op 24 augustus 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft op 26 augustus 2026 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 27 augustus 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Russische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1994. Eiser is op 19 augustus 2026 aangekomen op Schiphol en heeft aldaar te kennen gegeven dat hij een asielaanvraag wenst in te dienen. Verweerder heeft diezelfde dag een besluit over de toegangsweigering uitgesteld en eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd
2. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
3. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, en dat hij daarmee voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Uit vaste rechtspraak volgt dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken.
5. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 28 augustus 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.