[naam],
V-nummer: [nummer],
[naam],
V-nummer: [nummer],
gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. W. Volkers),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In eerdere procedures heeft deze rechtbank en zittingsplaats, de beroepen van eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank een termijn vastgesteld waarbinnen de minister alsnog een besluit moest nemen op de asielaanvragen en bepaald dat de minister bij gebreke daarvan een dwangsom van moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden.
Deze uitspraak gaat over het opvolgende beroep dat eisers hebben ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvragen van 2 oktober 2022.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moet eisers de minister door middel van een ingebrekestelling laten weten dat hij binnen twee weken alsnog op de aanvraag moet beslissen. Bij een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag is een nieuwe ingebrekestelling niet nodig.
3. In de laatste uitspraak, van 21 oktober 2025, heeft de rechtbank de minister een beslistermijn opgelegd van vier weken. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit op de aanvraag genomen.
4. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
5. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. Met ingang van 12 juni 2026 is het Europese Asiel- en migratiepact in werking getreden. Als gevolg daarvan is de voornemenprocedure vervallen, omdat deze procedurestap niet is opgenomen in de Procedureverordening. Het vervallen van de voornemenprocedure heeft tot gevolg dat na het gehoor over de asielmotieven sneller tot besluitvorming kan worden overgegaan.
6. Deze rechtbank en zittingsplaats hanteerde tot voor kort het zogenoemde 8+8-wekenmodel. Daarbij werd uitgegaan van een termijn van acht weken voor het horen en aansluitend acht weken voor het nemen van een besluit. Deze termijn werd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State passend geacht.
7. De rechtbank ziet aanleiding om het tot nu toe gehanteerde 8+8-wekenmodel te herzien en hanteert voortaan het zogenoemde 8+4-wekenmodel. Daarbij blijft de termijn van acht weken voor het houden van het gehoor gehandhaafd en geldt voor het nemen van een besluit na het gehoor een termijn van vier weken.
8. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Als uitgangspunt geldt dat de minister binnen een termijn van zes (4+2) weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
9. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
10. Het LOVB heeft op 21 mei 2026 een aanbeveling vastgesteld over de rechterlijke dwangsom bij beroepen wegens het niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken. Deze aanbeveling strekt ertoe tot een meer uniforme vaststelling van de rechterlijke dwangsom te komen, waarbij rekening wordt gehouden met zowel het belang van tijdige besluitvorming als met de uitvoerbaarheid van de door de rechtbank gestelde beslistermijn. Bij een opvolgend beroep wordt geen hogere dwangsom opgelegd. De rechtbank volgt de aanbeveling van het LOVB onverkort. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 50,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
11. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de minister zes weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eisers gezamenlijk een dwangsom verschuldigd.
12. De minister moet de door eisers gezamenlijk gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.