Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/045001-26
Datum uitspraak: 2 september 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1994 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 27 mei 2026 (pro forma) en 19 augustus 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.A Kuipers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.C. Sneep naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd:
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde hoeveelheden. Ten aanzien van het overige heeft de raadsman gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van feit 1
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, het volgende vast.
Op 10 en 11 februari 2026 heeft de douane in Nederland twee pakketten onderschept met daarin hennep, gericht aan [naam] en verstuurd naar [adres] . Op 12 februari 2026 heeft de politie in plaats van deze pakketten met hennep een neppakket laten leveren op voornoemde locatie. Ter plaatse heeft de verdachte een nepbezorger, een agent in een bezorgbusje, aangesproken en gezegd dat hij een pakket van [naam] verwachtte. De verdachte is vervolgens aangehouden.
Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij van zijn broer/neef [naam] (hierna: neef) de opdracht had gekregen om voornoemde pakketten in ontvangst te nemen.
De verdachte zou van tevoren niet hebben geweten dat er hennep in de pakketten zat. Hij zou dat pas van de verbalisanten in de politieauto onderweg naar het politiebureau hebben vernomen, aldus de verdachte. De rechtbank acht dat niet aannemelijk. Uit een proces-verbaal van bevindingen van de politie volgt dat de verdachte uit zichzelf het volgende heeft gezegd: “I know why I am here. It’s about the marihuana in the parcel”. Ook volgt uit datzelfde proces-verbaal dat de verdachte op dat moment nog niet was geïnformeerd over de precieze inhoud van de pakketten. Bij zijn aanhouding was de verdachte alleen gezegd dat hij was aangehouden voor handel dan wel import van softdrugs. Uit de spontane verklaring van de verdachte maakt de rechtbank op dat de verdachte voor en tijdens het afhaalmoment wel degelijk wist dat de pakketten hennep zouden bevatten.
De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte willens en wetens en daarmee opzettelijk hennep binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.
Daarnaast acht de rechtbank ook het tenlastegelegde medeplegen bewezen. De verdachte heeft vanaf december 2025 met zijn neef afspraken gemaakt over het ophalen van meerdere pakketten en werd op de hoogte gehouden van de levering. Hij is vervolgens op het afgesproken moment naar het afleveradres gegaan om een pakket in ontvangst te nemen. De verdachte heeft met zijn handelen niet slechts achteraf of op incidentele wijze hulp verleend aan de invoer van hennep, maar op een vooraf afgesproken en doelgerichte wijze. Gelet op deze gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat tussen de verdachte en, in elk geval, zijn neef sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking.
Anders dan de raadsman ziet de rechtbank in het verschil tussen het aantal aangetroffen zakken met hennep enerzijds en het lagere aantal genomen testmonsters anderzijds geen aanleiding om aan de gewogen en geverbaliseerde nettogewichten van respectievelijk 14 en 16 kilogram hennep te twijfelen. De enkele omstandigheid dat niet iedere aangetroffen zak is bemonsterd, maakt de vastgestelde nettogewichten niet onbetrouwbaar.
Ten aanzien van feit 2
Vast staat dat de verdachte een Pools(e) identiteitsbewijs/identiteitskaart, een reisdocument in de zin van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden had op naam van [naam] . De politie heeft op basis van vergelijkend foto-onderzoek en informatie verstrekt door de Poolse autoriteiten gerelateerd dat het document geen foto bevat van [naam] , maar van de verdachte.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een vals of vervalst document. Er zijn geen technische valsheden aan het document geconstateerd en daarnaast ontbreekt informatie van de Poolse autoriteiten over enige potentiële valsheid.
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat zijn neef, en niet hijzelf op het document is te zien en heeft verklaard dat zij erg op elkaar lijken en beiden dezelfde soort tatoeages hebben.
De rechtbank schuift deze verklaring van de verdachte als onaannemelijk terzijde en verwerpt daarnaast het verweer van de raadsman. Op basis van het dossier en de eigen waarneming stelt de rechtbank vast dat het document een foto bevat die vrijwel volledig is gebaseerd op het gezicht van de verdachte en waarop in het bijzonder identieke en zeer kenmerkende tatoeages in het gezicht en op de keel/hals zichtbaar zijn. De persoon op het document lijkt bovendien niet op [naam] . Daarmee stelt de rechtbank vast dat het document een foto bevat van de verdachte en de naam van [naam] .
Aangezien een pasfoto dient ter identificatie van de houder van een reisdocument en daarmee een essentieel onderdeel van een dergelijk officieel document vormt, dient een identiteitsbewijs, voorzien van een pasfoto van iemand anders dan degene op wiens naam het identiteitsbewijs is gesteld, naar het oordeel van de rechtbank, te worden aangemerkt als een vals reisdocument in de zin van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht. Aangezien de verdachte het document al enkele maanden in bezit had en bovendien bij zich droeg op het moment van de aanhouding, concludeert de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist van de valsheid. Daarmee kan het feit wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij in de periode van 10 februari 2026 tot en met 11 februari 2026 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
meermaals, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht,
- 16.000 gram (op 10 februari 2026) en
- 14.000 gram (op 11 februari 2026)
hennep, een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II;
2
hij op 11 februari 2026 te 's-Gravenhage een reisdocument als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een Pools identiteitsbewijs op naam van [naam] , geboren op [geboortedatum 2] 1992, waarvan hij, verdachte, wist dat deze vals was, voorhanden heeft gehad.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van maximaal 12 maanden waarvan de helft voorwaardelijk, met daarnaast eventueel een geldboete gelijk aan het onder de verdachte inbeslaggenomen geldbedrag of een taakstraf.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het tezamen en in vereniging met een ander invoeren van een forse hoeveelheid hennep binnen Nederlands grondgebied. De rechtbank acht dit een ernstig feit dat de verdachte zwaar wordt aangerekend. Door de invoer van drugs wordt namelijk de handel in die drugs in Nederland bevorderd. De invoerders van die verdovende middelen kunnen medeverantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de handel in en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat met de handel in drugs aanzienlijke financiële belangen zijn gemoeid en grote winsten worden behaald en dat deze niet zelden hand in hand gaan met overige criminaliteit.
Daarnaast weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee dat voor het vervoer van de hennep gebruik is gemaakt van reguliere en legale bezorgkanalen. Door deze kanalen voor strafbare doeleinden te gebruiken, wordt misbruik gemaakt van voorzieningen die bedoeld zijn voor legitiem goederenverkeer en wordt het risico vergroot dat dergelijke voorzieningen onderdeel worden van de criminele infrastructuur.
Ten aanzien van het valse reisdocument overweegt de rechtbank dat men er in het maatschappelijk verkeer van op aan moet kunnen dat dergelijke documenten de juiste persoonsgegevens bevatten. De verdachte heeft door een vals reisdocument voorhanden te hebben het vertrouwen dat in die documenten moet kunnen worden gesteld, geschonden.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 15 april 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 6 augustus 2026. De reclassering heeft gerapporteerd dat zij bij de verdachte geen risicofactoren of hulpvragen zien. Reclasseringstoezicht is daarom niet geïndiceerd. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de door de verdediging ingebrachte rapportage van Forensisch Maatwerk. Hieruit blijkt, net als uit het reclasseringsadvies, dat de verdachte zijn leven, voor het overige, op orde lijkt te hebben.
De straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt.
Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank verder gelet op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.
Alles overwegende, zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden onvoorwaardelijk opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
7. De inbeslaggenomen voorwerpen
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, die als bijlage III aan dit vonnis is gehecht, onder 1 genoemde voorwerp (een geldbedrag ter hoogte van € 2.870,00) wordt teruggegeven aan de verdachte.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft niet om teruggave van het geldbedrag aan de verdachte gevraagd.
Het oordeel van de rechtbank
Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet en het inbeslaggenomen aan de verdachte toebehoort, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 47, 57 en 231 van het Wetboek van Strafrecht;
- 3 en 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2
een identiteitsbewijs voorhanden hebben waarvan hij weet dat het vals is;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de inbeslaggenomen goederen;
gelast de teruggave aan de verdachte van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: een geldbedrag ter hoogte van € 2.870,-.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S.N. Huliselan, voorzitter,
mr. F.X. Cozijn, rechter,
mr. S. Pereth, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R.J. van Egmond, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 september 2026.