Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/345852-25, 09/345853-25, 09/256373-25, 09/036103-26
en 10/254299-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 2 september 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,
adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 19 augustus 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. M.M. Vié naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 19 augustus 2026. De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd:
onder parketnummer 10-254299-25 (hierna dagvaarding I)
(1) op 5 juli 2025 te Rotterdam opzettelijk aanwezig hebben van 8,1 gram cocaïne;
onder parketnummer 09-256373-25 (hierna dagvaarding II)
onder parketnummer 09-345853-25 (hierna dagvaarding III)
(1) op 28 september 2025 te Leidschendam rijden onder invloed van 100 microgram cocaïne per liter bloed;
onder parketnummer 09-036103-26 (hierna dagvaarding IV)
(1) op 12 oktober 2025 te Leidschendam opzettelijk aanwezig hebben van 4248 gram lachgas;
onder parketnummer 09-345852-25 (hierna dagvaarding V)
(1) op 13 oktober 2025 te Leidschendam aanwezig hebben van 2830,30 gram lachgas.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor alle tenlastegelegde feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft de feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit.
Verder heeft de officier van justitie met betrekking tot alle feiten gerekwireerd tot bewezenverklaring.
De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn als bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I, II, III, IV en V tenlastegelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
ten aanzien van dagvaarding I
hij op 5 juli 2025 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad
8,1 gram, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
ten aanzien van dagvaarding II
1
hij op 25 juli 2025 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg opzettelijk aanwezig heeft gehad 16091,8 gram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2
hij op 25 juli 2025 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg opzettelijk aanwezig heeft gehad 17,6 gram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
ten aanzien van dagvaarding III
hij op 28 september 2025 te Zoetermeer een personenauto, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 100 microgram cocaïne per liter bloed bedroeg, een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;
ten aanzien van dagvaarding IV
hij op 12 oktober 2025 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg
opzettelijk aanwezig heeft gehad 4284 gram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II
ten aanzien van dagvaarding V
hij op 13 oktober 2025 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg opzettelijk aanwezig heeft gehad 2830,3 gram distikstofmonoxide (lachgas), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de reclassering.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte daarnaast ten aanzien van het bij dagvaarding III bewezenverklaarde wordt veroordeeld tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en te volstaan met een deels voorwaardelijke taakstraf. De raadsvrouw heeft hiertoe gewezen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een paar maanden meermaals schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van hoeveelheden lachgas en harddrugs (cocaïne). Het opzettelijk aanwezig hebben van een dergelijke hoeveelheid cocaïne gaat niet zelden gepaard met andere vormen van criminaliteit en overlast. Bovendien vormt het gebruik van cocaïne een gevaar voor de volksgezondheid. Ook het gebruik van lachgas is schadelijk. Langdurig en veelvuldig gebruik kan grote schade veroorzaken aan de hersenen en longen. Daarnaast leidt het gebruik van lachgas tot milieuschade, doordat gebruikers ervan de lege cilinders regelmatig achterlaten op straat of in de natuur, wat de verdachte in deze zaak ook heeft gedaan. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van dergelijke verdovende middelen veelal gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit waarvan anderen overlast ondervinden en waardoor de samenleving schade wordt toegebracht. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van deze problematiek. Dat alles rekent de rechtbank de verdachte aan.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan rijden onder invloed. Door het drugsgebruik heeft verdachte zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer miskend en de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 juli 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Kennelijk heeft hij daaruit geen lering getrokken. Verder heeft rechtbank geconstateerd dat de verdachte na het plegen van de onderhavige feiten meermalen is veroordeeld, zodat een situatie als bedoeld in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. De rechtbank houdt daarmee rekening in het voordeel van de verdachte.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 13 april 2026, waaruit volgt dat sprake was van problemen op de leefgebieden huisvesting, financiën, sociaal netwerk, middelengebruik, verslaving en psychosociaal functioneren. Het recidive risico schat de reclassering dan ook in als hoog. Interventies van de reclassering hebben niet geleid tot vermindering van het recidive risico dan wel tot blijvende positieve gedragsverandering. De reclassering ziet dan ook onvoldoende mogelijkheden om door middel van voorwaarden en/of toezicht de risico’s in afdoende mate te beperken.
Ter zitting heeft de verdachte uitgebreid over zijn persoonlijke omstandigheden verklaard. De rechtbank heeft daaruit opgemaakt dat de verdachte de afgelopen maanden zijn best heeft gedaan om zijn leven op de rit te krijgen. De verdachte heeft inmiddels een woonplek gevonden waar hij langere tijd kan verblijven en is sinds zijn detentie abstinent van het gebruik van lachgas en cocaïne. Daarnaast werkt de verdachte als stratenmaker.
De straf
Gelet op het aantal en de ernst van de feiten zou oplegging van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel gerechtvaardigd zijn. Ter terechtzitting is echter gebleken dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd in een turbulente tijd in zijn leven en dat hij inmiddels de draad weer heeft opgepakt. De rechtbank houdt in de straf rekening met deze verbeterde persoonlijke omstandigheden. Aangezien de rechtbank daarnaast heeft geconstateerd dat de verdachte nog een zeer hoog aantal uren taakstraf dient te verrichten en voorts in aanzienlijke mate rekening houdt met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, acht de rechtbank het, anders dan de officier van justitie, niet opportuun om aan de verdachte opnieuw een taakstraf op te leggen.
Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. Aan de verdachte is reeds op 8 oktober 2025 een forse rijontzegging opgelegd en daarbij komt dat het rijbewijs van de verdachte inmiddels is ongeldig verklaard. Een nieuwe rijontzegging acht de rechtbank daarom niet van wezenlijke toegevoegde waarde.
De rechtbank ziet wel aanleiding om aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen om daarmee de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen. Deze straf dient ook om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Alles afwegende, acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren passend, en geboden.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994;
- 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I en lijst II.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I, II, III, IV en V ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding II onder 1, dagvaarding IV en dagvaarding V, telkens:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
ten aanzien van dagvaarding I, dagvaarding II onder 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
ten aanzien van dagvaarding III:
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat van die straf, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door
mr. S. Pereth, voorzitter,
mr. F.X. Cozijn, rechter,
mr. S.N. Huliselan, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R.J. van Egmond, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 september 2026.