ECLI:NL:RBDHA:2026:24610

ECLI:NL:RBDHA:2026:24610

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer NL26.46811
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Bewaring – bz – ongegrond -geen pkv.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.46811

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),

en

(gemachtigde: mr. L. Hartog).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 16 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep op 18 augustus 2026 ingediend. Verweerder heeft op 24 augustus 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 26 augustus 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Verblijf in de politiecel

Toetsingskader

5. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.

Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

6. In de aan eiser opgelegde maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

- a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; - c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; - k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening; - p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; - r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; - s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

7. Eiser betwist de gronden c, r en s. De tegenwerping dat eiser niet meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit is – voor zover juist – niet van toepassing. Bovendien is eiser opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw en het betreft ten aanzien van eiser geen terugkeer naar Algerije, maar naar Duitsland. Eiser heeft in afwachting van zijn overname naar Duitsland rechtmatig verblijf in Nederland. Omdat eiser onder de Opvangrichtlijn valt en over een W-document beschikt, komt geen betekenis toe aan de gronden r en s.

8. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden a en p niet heeft betwist. Deze gronden zijn feitelijk juist en voldoende toegelicht in de maatregel van vreemdelingenbewaring. Ook grond c is feitelijk juist. Dat eiser is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw en dat vanwege eisers strafrechtelijke verleden en eerdere asielaanvraag bekend is wie hij is, staat niet in de weg aan de feitelijke juistheid dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet met officiële documenten heeft aangetoond noch dat hij zich daartoe inspant. Ook gronden r en s zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Eiser staat niet ingeschreven in de BRP en heeft verklaard in het AZC [plaats] te hebben verbleven totdat hij met onbekende bestemming is vertrokken. Daarbij beschikt eiser over vijf tot tien euro, wat onvoldoende is om in zijn levensonderhoud te voorzien en de het vertrek uit Nederland te bekostigen.

9. Voor zover eiser ook grond p betwist, is de rechtbank van oordeel dat ook deze grond feitelijk juist is en voldoende gemotiveerd. Eiser beschikt niet over een document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb. Daarbij volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken uit het AZC en naar België is gegaan, waarmee hij in Nederland niet langer rechtmatig verblijf heeft. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen is het risico op onttrekking gegeven.Lichter middel en voortvarendheid

10. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. Eiser had direct op 16 augustus 2026 moeten worden overgedragen en dan had de ophouding kunnen volstaan. Duitsland is goed bereikbaar en verweerder had eiser rechtstreeks naar Duitsland behoren te brengen.

11. Anders dan eiser aanvoert, is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting naar Duitsland. Verweerder heeft op 18 augustus 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser en op dezelfde dag is aan de Duitse autoriteiten aangekondigd dat eiser op 26 augustus 2026 zal worden overgedragen. Verweerder motiveert in dit kader terecht dat aan de Duitse autoriteiten enige tijd moet worden gegund om de overdracht voor te bereiden en dat ook de Nederlandse autoriteiten de overdracht logistiek moeten plannen. Ook heeft verweerder in de maatregel voldoende gemotiveerd dat een minder dwingende maatregel niet doeltreffend is toe te passen gelet op het onttrekkingsrisico dat voortvloeit uit de gronden van de maatregel.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

12. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 28 augustus 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.L. Weerkamp

Griffier

  • mr. Y. Chakur

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand