Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/221589-25, 09/299760-25 en 09/215185-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 11 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting Detentiecentrum [plaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 12 november 2025 (pro forma) en 28 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.J. Starrenburg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. P.L.G. Rens naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen met parketnummers 09/221589-25 (hierna: dagvaarding I), 09/299760-25 (hierna: dagvaarding II) en 09/215185-25 (hierna: dagvaarding III). Kort en feitelijk weergegeven komen de verdenkingen er op neer dat de verdachte brand heeft gesticht door een auto in brand te steken (dagvaarding I) en dat hij heeft geprobeerd om brand te stichten in een politiecel (dagvaarding II). Ten aanzien van dagvaarding III komt de verdenking er op neer dat de verdachte [aangever 1] heeft afgeperst dan wel dat hij geld heeft witgewassen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder dagvaarding III primair en subsidiair tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder dagvaarding I en dagvaarding II primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte primair vrijspraak van het bij dagvaarding I tenlastegelegde bepleit, omdat in de tenlastelegging staat dat het feit op of omstreeks 8 augustus 2025 zou hebben plaatsgevonden, terwijl dat 6 augustus 2025 zou moeten zijn. Subsidiair heeft de raadsman zich ten aanzien van dagvaarding I gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de feiten die ten laste zijn gelegd onder dagvaarding II en dagvaarding III heeft de raadsman namens de verdachte zowel voor de primaire als subsidiaire feiten vrijspraak bepleit. Ten aanzien van dagvaarding II stelt de verdediging zich op het standpunt dat de verdachte in de politiecel alleen heeft geprobeerd om met een aansteker de loszittende draadjes van zijn bodywarmer weg te branden. Van een poging tot brandstichting is daarom geen sprake.
Vrijspraak ten aanzien van dagvaarding III
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank met betrekking tot de onder dagvaarding III primair en subsidiair ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten niet wettig en overtuigend zijn bewezen.
Uit het procesdossier volgt dat op het bankrekeningnummer op naam van de verdachte tweemaal een geldbedrag is overgemaakt vanaf het bankrekeningnummer van de aangever. Maar het dossier bevat geen aanknopingspunten dat de verdachte de berichten naar aangever heeft (laten) versturen of op andere wijze bemoeienis heeft gehad bij de afpersing van aangever. Tevens is niet gebleken dat de verdachte wist dat het geld dat op zijn rekeningnummer is gestort middellijk of onmiddellijk uit misdrijf afkomstig was. Het procesdossier bevat onvoldoende aanwijzingen dat de verdachte betrokken is geweest bij de ten laste legde feiten.
Gebruikte bewijsmiddelen ten aanzien van dagvaarding I en II
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Ten aanzien van dagvaarding I:
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer BVH 2025264869 (onderzoek Heliotroop), van de politie eenheid Den Haag, district Westland-Delft, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 118).
1. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] , opgemaakt op 6 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 43):
Plaats delict: Delft
Pleegdatum: 6 augustus 2025
Ik sprak met een medewerker van de politie en ik hoorde dat zij aangaf dat mijn zakelijke personenauto vernield was door brandstichting.
Door de brandstichting is mijn voertuig zodanig vernield dat ik hem niet meer kan gebruiken.
2. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 3] , opgemaakt op 6 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 49):
Ik zag vanuit mijn appartement dat mijn voertuig achter een uitgebrand voertuig stond. Op foto's die de politie mij toonde zag ik dat mijn voertuig hitteschade heeft aan de
voorzijde.
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 28 januari 2026, voor zover inhoudende:
Ik heb het gedaan. Ik heb benzine over de auto gegooid. Ik heb de brand aangestoken met een aansteker.
Ten aanzien van dagvaarding II:
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025377354, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 19).
1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 november 2025, voor zover inhoudende (p. 2):
Op 7 november 2025 zag ik op locatie Delft het volgende.
Omstreeks 14:45 uur hoorde ik een alarm afgaan. Ik hoorde een collega zeggen dat het
alarm afkomstig is vanuit de cel 1.05. Samen met andere politie collega's liepen wij
naar de cel 1.05.
Ik rook een geur wat mij bekend was als er brand is geweest. Ik zag dat er op de grond zwartgeblakerd stukjes papier lagen. Dit herken ik als papier wat in brand heeft gestaan.
Ik zag dat er een klein notitieboekje en een aansteker uit de zak kwam van de verdachte.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 november 2025, voor zover inhoudende (p. 4):
Een arrestant geplaatst in cel 1.05. Deze arrestant betrof:
[de verdachte]
Omstreeks 14:45 uur hoorde ik een luid alarm afgaan op de werkvloer die ik herkende
als het brandalarm. Ik hoorde een collega zeggen dat het brandalarm een signaal gaf
dat er brand was in het cellencomplex.
In de cellengang aangekomen zag ik dat het blauwe waarschuwingslampje naast cel 1.05
oplichtte. Ik rook een hevige geur die ik herkende als een brandgeur. Tevens zag ik dat er blauwe rook in de cellengang stond, en met name in cel 1.05.
Ik zag dat er in de cel verkoolde snippers op de grond lagen. Ik kon niet duiden welk materiaal het (geweest) was, maar zag dat toen een collega erop stond het versnipperde, waardoor ik vermoed dat het papier was.
Tevens herkende ik de brandgeur als de geur van verbrand papier.
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 28 januari 2026, voor zover inhoudende:
In de politiecel was een deken, wc-papier, kussen en een bed.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van dagvaarding I:
Ten aanzien van dagvaarding I volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat het tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Daarbij leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
In de onderhavige tenlastelegging is als pleegdatum 8 augustus 2025 opgenomen, terwijl het feit heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2025. Het ligt op de weg van de rechter om in de tekst van een tenlastelegging voorkomende misslagen te verbeteren, indien de verdachte daardoor in zijn verdediging niet wordt geschaad.
Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van de pleegdatum in de tenlastelegging sprake van een kennelijke vergissing en is de verdachte daardoor niet in zijn verdediging geschaad. Onderkend wordt dat de pleegdatum een kernbestanddeel van de tenlastelegging is en essentieel is met het oog op de informatiefunctie van de dagvaarding. In dit geval is echter duidelijk dat met de pleegdatum 6 augustus 2025 moet zijn bedoeld. Zo heeft de verdachte het feit vanaf zijn verklaring bij de rechter-commissaris bekend. Daarnaast is ter zitting besproken dat het feit op 6 augustus 2025 heeft plaatsgevonden en niet op 8 augustus 2025. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de procespartijen hetzelfde feitencomplex voor ogen hebben gehad bij het bespreken van de feiten en het voeren van de verdediging. Aan de informatiefunctie heeft de tenlastelegging in de onderliggende zaak daarom voldaan, ondanks de kennelijke vergissing die de pleegdatum betreft.
Uit de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden volgt dat de verdachte door een wijziging van de datum in de bewezenverklaring niet in zijn verdediging is geschaad.
Ten aanzien van dagvaarding II:
Ten aanzien van dagvaarding II heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de poging tot brandstichting in een politiecel niet bewezen kan worden verklaard. Volgens de verdediging heeft de verdachte met de aansteker geprobeerd om de loszittende draadjes van zijn bodywarmer weg te branden. De rechtbank acht dit scenario echter niet aannemelijk en is van oordeel dat dit feit wel bewezen kan worden verklaard gelet op de gebezigde bewijsmiddelen.
Voor een strafbare poging is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte een aansteker bij zich had terwijl hij in de politiecel zat en dat op enig moment het brandalarm is afgegaan vanwege rookvorming in die cel. Verbalisanten hebben op de vloer van de cel verbrand papier aangetroffen. Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte papier heeft aangestoken, wat als gevolg daarvan in ieder geval korte tijd heeft gebrand en rook heeft veroorzaakt en waarmee andere in de cel aanwezige goederen in brand hadden kunnen worden gestoken of in brand hadden kunnen raken. Het onder de betreffende omstandigheden in brand steken van papier met een aansteker is naar het oordeel van de rechtbank een gedraging die naar zijn uiterlijke verschijningsvorm is gericht op brandstichting, waardoor het tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder dagvaarding I en dagvaarding II primair ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Ten aanzien van dagvaarding I:
hij op 6 augustus 2025 te Delft opzettelijk brand heeft gesticht, door open vuur en brandstof in aanraking te brengen met een auto, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de nabij die auto geparkeerde voertuigen te duchten was;
Ten aanzien van dagvaarding II:
hij op 7 november 2025 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de politiecel en in die cel aanwezige goederen te duchten was, met een aansteker een of meerdere papieren heeft aangestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandeling.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank primair gevraagd om een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen. Subsidiair heeft de verdediging de rechtbank gevraagd om aansluiting te zoeken bij de eis van de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft opzettelijk brand gesticht terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was. In de nacht van 5 op 6 augustus 2025 is de verdachte in opdracht van iemand waarmee hij via Snapchat contact had naar een geparkeerde auto in een woonwijk gegaan. Hij heeft benzine over deze auto gegooid en aangestoken met een aansteker. Op camerabeelden is te zien dat er brand is ontstaan. De auto stond naast andere voertuigen geparkeerd. Een van deze voertuigen is door de brand beschadigd. Het strafbare feit lijkt te zijn uitgevoerd in opdracht van een andere persoon. De rechtbank vindt het zeer zorgelijk dat de verdachte bereid is om tegen een (kleine) betaling zo’n ernstig strafbaar feit te plegen en rekent het de verdachte zwaar aan dat hij daarbij uitsluitend heeft gedacht aan zijn eigen financiële gewin, zonder na te denken over de gevolgen van zijn voorgenomen acties voor anderen. Dit strafbare feit raakt allereerst de veiligheid van de direct betrokkenen, zoals ook is gebleken uit de vordering van benadeelde partij [aangever 3] waarin zij schrijft erg te zijn geschrokken. Daarnaast veroorzaakt het ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, temeer omdat uit het procesdossier blijk dat er in die periode meer auto’s in de brand zijn gestoken in Delft.
Daarnaast heeft de verdachte in zijn politiecel geprobeerd brand te stichten, met een aansteker die hij nog in zijn zak had. Deze poging heeft geresulteerd in rookvorming. In die cel waren verschillende goederen aanwezig, waardoor gevaar te duchten was voor deze goederen. Ook met betrekking tot dit feit rekent de rechtbank het de verdachte aan dat hij kennelijk onvoldoende heeft nagedacht over de mogelijke consequenties van zijn handelen. Hij heeft hiermee een gebrek aan respect voor de eigendommen van anderen laten zien.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 11 november 2025. De reclassering heeft geen inschatting kunnen maken van het risico op recidive. Ook heeft de reclassering niet kunnen vaststellen welke leefgebieden te relateren zijn aan het delict. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling.
Strafmaat
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van elf maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden. De rechtbank zal vier maanden van die straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Deze straf is hoger dan de eis van de officier van justitie, vanwege de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte tot het plegen van deze feiten is overgegaan. De rechtbank acht het in dat verband tevens noodzakelijk om de verdachte door middel van een langere proeftijd te stimuleren betere keuzes te maken en geen strafbare feiten meer te plegen.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
Ten aanzien van dagvaarding I:
[aangever 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1798,54, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 798,54 aan materiële schade en € 1000,- aan immateriële schade.
Ten aanzien van dagvaarding III:
[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2250,- te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 1500,- aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] tot een bedrag van € 798,54 materiële schade en niet-ontvankelijkverklaring voor het overige.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] heeft de officier van justitie geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij [aangever 3] niet-ontvankelijk te verklaren en [aangever 1] niet-ontvankelijk te verklaren.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van dagvaarding I:
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij ( [aangever 3] ) rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid (artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek), omdat de omvang van de geleden materiële schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Zij stelt de materiële schade, gelet op de ingediende pro forma factuur en de feiten en omstandigheden van het geval vast op € 500,-.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 500,-, bestaande uit materiële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 6 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald; ten behoeve van [aangever 3] .
Ten aanzien van dagvaarding III:
De rechtbank zal de benadeelde partij ( [aangever 1] ) niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
Proceskosten
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder dagvaarding III ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder dagvaarding I en dagvaarding II primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
ten aanzien van dagvaarding II:
poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 11 (ELF) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 4 (VIER) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland Bezuidenhoutseweg 179 in Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, indien de reclassering dit nodig vindt. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;
ten aanzien van dagvaarding I:
de vordering van de benadeelde partij [aangever 3]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 500,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 3] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 3] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
ten aanzien van dagvaarding III:
de vordering van de benadeelde partij [aangever 1]
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M. Zandbergen, voorzitter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
mr. K.M. de Groes, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.J. van Mierlo, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 februari 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Dagvaarding I
hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te Delft opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door open vuur en/of een brandstof in aanraking te brengen met een auto, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de nabij die auto geparkeerde voertuigen te duchten was;
Dagvaarding II
hij op of omstreeks 7 november 2025 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten de politiecel en/of in die cel aanwezige goederen te duchten was, met een aansteker een of meerdere papieren en/of brandbare stof heeft aangestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 november 2025 te Delft opzettelijk en wederrechtelijk een politiecel en/of in die cel aanwezige goederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Politie Eenheid Den Haag, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
Dagvaarding III
hij in of omstreeks in de periode van 12 september 2024 tot en met 28 oktober 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die Mackeen en/of een derde toebehoorde(n), door door (telkens) tegen die Mackeen dreigend te zeggen - zakelijk weergegeven - dat als die Mackeen zou weigeren om geld over te maken, hij, verdachte, informatie online zou zetten en de hele familie van die Mackeen erbij zou betrekken, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks in de periode van 12 september 2024 tot en met 28 oktober 2024, te 's-Gravenhage, althans in Nederland, (van) een geldbedrag, althans een of meer voorwerpenSub a- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)Sub b- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,en/of- gebruik heeft gemaaktterwijl hij, verdachte, wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.