RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54287
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.G. Grigorjan),
en
(gemachtigde: mr. H. van Halteren).
Procesverloop
Bij besluit van 4 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Feiten
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2000 en de Afghaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 5 juli 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 17 juni 2024 via Bulgarije het grondgebied van de lidstaten is ingereisd en daar op 8 juli 2024 een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft daarom de autoriteiten van Bulgarije verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening. Op 5 september 2025 hebben de Bulgaarse autoriteiten dit verzoek aanvaard.
Het standpunt van eiser
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt dat dit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Hij is niet gehoord over zijn bezwaren tegen overdracht aan Bulgarije, terwijl op 9 oktober 2025 wel een voornemen is uitgebracht zonder dat een Dublin-gehoor over Bulgarije is afgenomen of een gehoorverslag (tijdig) is toegezonden, in strijd met paragraaf C1/2.6 Vc. Verweerder heeft ten onrechte volstaan met een brief aan de toenmalige gemachtigde en had eiser, gelet op de Eurodac-gegevens waaruit de relevantie van Bulgarije al bleek, zelf tijdig moeten horen. Het houden van een Dublin-gehoor behoort tot de taak van de IND en is noodzakelijk om individuele en bijzondere omstandigheden vast te stellen. Verder stelt eiser dat verweerder het recente AIDA-rapport van 27 maart 2025 niet heeft betrokken in het besluit en onvoldoende is ingegaan op zijn persoonlijke ervaringen, waaronder mishandeling, (onrechtmatige) detentie en slechte opvangomstandigheden met onvoldoende voedsel, hygiëne, veiligheid en medische zorg, die hij met foto’s heeft onderbouwd. Volgens eiser wijzen deze ervaringen, in samenhang met objectieve bronnen, op structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zodat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser verwijst naar de arresten Jawo en X tegen Nederland en stelt dat artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening overdracht verbiedt bij systeemfouten die een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling opleveren, waaronder pushbacks, detentie en zeer verregaande materiële deprivatie. Hij voert aan dat effectieve klachtenprocedures ontbreken door het gebrek aan rechtsbijstand en tolken en dat verweerder ten onrechte geen nader onderzoek heeft gedaan bij de Bulgaarse autoriteiten en zijn ervaringen niet heeft gedeeld in het claimverzoek. Volgens eiser had verweerder de bewijswaardering deugdelijk moeten motiveren en de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich moeten trekken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Ontvankelijkheid
4. De rechtbank stelt vast dat eiser bij het indienen van het beroepschrift geen gronden heeft vermeld. Bij brief van 6 november 2025 heeft de rechtbank eiser en zijn toenmalige gemachtigde in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen binnen vijf werkdagen. De uiterste datum voor het indienen van de gronden was daarmee 13 november 2025. Op 7 november 2025 heeft mr. E.G. Grigorjan zich als gemachtigde van eiser gesteld. De gronden zijn uiteindelijk op 14 november 2025 ingediend en daarmee één dag na afloop van de hersteltermijn. Ter zitting heeft mr. Grigorjan toegelicht dat in zijn advocatenportaal een onderwerpregel zichtbaar was met de vermelding: “De vervaldatum voor het herstellen van het verzuim is vrijdag 14 november 2025.” Op basis van deze vermelding heeft hij aangenomen dat de uiterste datum voor het indienen van de gronden 14 november 2025 was. Deze onderwerpregel is niet zichtbaar in het digitale dossier van de rechtbank. De rechtbank acht aannemelijk dat deze vermelding bij eisers gemachtigde tot verwarring heeft geleid over de uiterste hersteltermijn, terwijl deze verwarring niet aan hem kan worden toegerekend. Het beroep wordt daarom ontvankelijk geacht.
Zorgvuldigheid en motivering van het bestreden besluit
5. Op basis van artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening is de lidstaat in beginsel gehouden een persoonlijk onderhoud te voeren met de verzoeker om internationale bescherming, die valt onder de reikwijdte van deze verordening. Artikel 5, tweede lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening biedt de mogelijkheid om van een onderhoud in persoon af te zien indien de lidstaat al over voldoende informatie beschikt om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de aanvraag, mits aan de verzoeker de mogelijkheid wordt geboden om alle verdere informatie te verstrekken die relevant is om op correcte wijze de verantwoordelijke lidstaat vast te stellen. De praktische invulling van deze uitzondering is door verweerder vastgelegd in onderdeel C1/2.6 van de Vc. Dit beleid bepaalt dat als een Dublingehoor heeft plaatsgevonden maar er daarna nieuwe feiten en omstandigheden naar voren komen die onderzoek of een aanvullend Dublingehoor behoeven, verweerder waar nodig (schriftelijk) contact opneemt met de vreemdeling en/of hem uitnodigt voor een aanvullend Dublingehoor.
6. Vastgesteld wordt dat een Dublingehoor heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2025 waarbij is gesproken over een mogelijke overdracht van eiser aan België, maar niet aan Bulgarije. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 9 september 2025 aan eiser meegedeeld dat Bulgarije verantwoordelijk is voor diens asielaanvraag. Ook is eiser in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaren tegen een overdracht aan Bulgarije schriftelijk kenbaar te maken en deze binnen twee weken toe te sturen. Eiser heeft dit niet gedaan, waarna een voornemen volgde op 9 september 2025.
7. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid. Verweerder was namelijk niet gehouden om eiser opnieuw te horen over zijn bezwaren tegen een overdracht aan Bulgarije nu eiser bij brief van 9 september 2025 in de gelegenheid is gesteld om zijn bezwaren schriftelijk kenbaar te maken. Vastgesteld wordt dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheid. Wel heeft eiser door middel van het indienen van een zienswijze, het instellen van beroep en het verschijnen ter zitting zijn bezwaren kunnen uiten. Daarnaast heeft eiser niet nader onderbouwd welk nadeel hij heeft ondervonden als gevolg van het feit dat hij niet aanvullend is gehoord.
8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder zich heeft beperkt tot standaardoverwegingen en onvoldoende is ingegaan op zijn persoonlijke ervaringen en verklaringen, dan wel heeft nagelaten feitelijk onderzoek te verrichten. De Afdeling heeft eerder overwogen dat verweerder in Dublinprocedures waarin een asielverzoek niet in behandeling wordt genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, in het voornemen niet steeds expliciet op alle aangevoerde individuele omstandigheden hoeft in te gaan en daarbij gebruik kan maken van standaardtekstblokken. Dit laat onverlet dat in het bestreden besluit de door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden zijn betrokken. Zo heeft verweerder aandacht besteed aan de door eiser gestelde mishandeling en detentie in Bulgarije. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te oordelen dat het besluit op dit punt onvoldoende zorgvuldig is voorbereid of ondeugdelijk is gemotiveerd.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
9. Verweerder mag ten aanzien van Bulgarije in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat andere lidstaten vreemdelingen behandelen in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van kan worden uitgegaan. De vraag of van dit beginsel kan worden uitgegaan, moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Op grond daarvan moet een lidstaat het asielverzoek zelf behandelen indien ernstig moet worden gevreesd dat in de verantwoordelijke lidstaat, hier Bulgarije, sprake is van systeemfouten in de asielprocedure of opvang die leiden tot een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM. Bij deze beoordeling is met name het arrest Jawo van belang. Als blijkt dat er sprake is van structurele tekortkomingen dan moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel bereiken om onder het bereik van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM te vallen. Blijkens het arrest Jawo wordt deze drempel pas bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, waardoor deze persoon niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen, en waardoor zijn lichamelijke of geestelijke gezondheid zou worden geschaad of zijn levensomstandigheden mensonwaardig worden.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Bulgarije nog altijd mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 juni 2024 met betrekking tot de AIDA-rapporten over 2022 en 2023, voor zover die voor Dublinclaimanten van belang zijn, geoordeeld dat uit die rapporten niet blijkt dat verweerder ten aanzien van Bulgarije niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Daarbij heeft de Afdeling de zorgen over de pushbackpraktijken, de toegang tot en de situatie in de opvangcentra, de omstandigheden in detentiecentra en de toegang tot rechtsbijstand betrokken. Eiser heeft niet met recente informatie onderbouwd dat de beoordeling in voornoemde uitspraak niet meer juist is. De verwijzing naar het AIDA-rapport van 27 maart 2025 leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraken van de Afdeling van 26 mei 2025, 6 oktober 2025 en 17 november 2025 waarin dit AIDA-rapport is betrokken. Daaruit volgt dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de opvangsituatie voor Dublinterugkeerders dan uit de informatie uit eerdere AIDA-rapporten. Met de verwijzing naar het AIDA-rapport van maart 2025 heeft eiser dus niet aannemelijk gemaakt dat in Bulgarije sprake is van ernstige tekortkomingen in de asielprocedure, waardoor niet meer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook in de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2025 is geoordeeld dat het AIDA-rapport van maart 2025 onvoldoende is om te concluderen dat de situatie in Bulgarije nu wel de drempel van zwaarwegendheid zoals bedoeld in het arrest Jawo bereikt. Daar komt bij dat Bulgarije het terugnameverzoek heeft geaccepteerd en hierbij garandeert dat de asielaanvraag van eiser in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen. Indien eiser in Bulgarije tekortkomingen ervaart, ligt het op zijn weg hierover te klagen bij de Bulgaarse autoriteiten. Niet is gebleken dat dit niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
11. Over eisers persoonlijke ervaringen in Bulgarije merkt de rechtbank op dat in het arrest X tegen Nederland is benadrukt dat de beoordeling of sprake is van systeemfouten die de bijzonder hoge drempel bereiken van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM, afhangt van de situatie waarin de verzoeker zich bij of na de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat zou bevinden. Aangezien eiser niet eerder als Dublinclaimant in Bulgarije is geweest, kan hij niet uit eigen ervaring verklaren over de behandeling van Dublinclaimanten daar. Verweerder heeft terecht het standpunt ingenomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer als Dublinclaimant in Bulgarije een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest.
Bijzondere, individuele omstandigheden
12. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Bulgarije van onevenredige hardheid getuigt. Eisers eerdere ervaringen in Bulgarije zijn betrokken in de beoordeling op het punt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en deze kunnen daarom niet opnieuw een rol spelen in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening. Verweerder heeft dan ook geen toepassing hoeven geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.
Conclusie en gevolgen
13. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 5 februari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.