RECHTBANK DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/708756 / JE RK 26-1196
Datum uitspraak: 29 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 juli 2026;
- het bericht van de moeder met haar reactie op het verzoek van 20 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- [naam] namens de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld.
2. De feiten
[minderjarige] is erkend door [de man] .
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 augustus 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 22 augustus 2026, alsmede een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 22 augustus 2026.
3. Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De gecertificeerde instelling motiveert het verzoek als volgt. In de afgelopen periode hebben er meerdere gesprekken plaatsgevonden met [minderjarige] , met als doel de plaatsing binnen het gezinshuis te behouden en een voortijdige beëindiging te voorkomen. Dit is niet gelukt, omdat [minderjarige] meerdere keren is weggelopen en heeft aangegeven niet langer in het gezinshuis te willen blijven. [minderjarige] woont weer bij de moeder, dat verloopt goed en zonder escalaties. Doordat de plaatsing in het gezinshuis is beëindigd, is ook de hulp vanuit Jeugdformaat en de inzet van de gedragswetenschapper van het gezinshuis gestopt. Er moest opnieuw gekeken worden welke hulp passend is voor in de thuissituatie. Door de wachtlijsten kon die hulp niet meteen worden ingezet. In overleg is onderzocht of Beter Thuis van Youz opnieuw betrokken kon worden. Zij waren eerder betrokken bij [minderjarige] en de moeder en deze samenwerking was positief. Beter Thuis heeft aangegeven hulp te kunnen bieden, zowel gericht op het gezinssysteem als op de behandeling en begeleiding van [minderjarige] . Het is belangrijk dat er eerst een vertrouwens- en samenwerkingsrelatie met [minderjarige] wordt opgebouwd. Vanuit deze basis kan vervolgens worden onderzocht welke ondersteuning en behandeling het beste aansluit bij haar behoeften. Daarnaast kan Beter Thuis ondersteuning bieden bij de terugkeer van [minderjarige] naar school. Zij hebben geadviseerd om [minderjarige] aan te melden bij School2Care en dat zal na de vakantieperiode gebeuren. Op dit moment is nog niet duidelijk of zij daar geplaatst kan worden. De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van een jaar. Moeder werkt goed samen met de jeugdbeschermer. De zorgen richten zich voornamelijk op [minderjarige] en of zij voldoende gemotiveerd zal zijn om de ingezette hulpverlening vol te houden. Tijdens het tweede gesprek met Beter Thuis was [minderjarige] niet aanwezig, wat de zorgen hierover heeft versterkt. De zorg is dat [minderjarige] zonder een gedwongen kader onvoldoende in beweging zal komen. Haar gedragspatronen lijken hardnekkig en de inzet van Beter Thuis zal mogelijk niet toereikend zijn. Ook de start van School2Care zal naar verwachting niet zonder uitdagingen verlopen. Het is daarom belangrijk om de start en het verdere verloop van de hulpverlening vanuit Beter Thuis nauwlettend in de gaten te houden. Op basis van de ontwikkelingen kan tijdig worden bijgestuurd en, indien nodig, aanvullende hulpverlening worden ingezet.
4. De standpunten
Door de moeder is naar voren gebracht dat zij liever geen verlenging van de ondertoezichtstelling wil, omdat zij het afgelopen jaar weinig contact en steun van de jeugdbeschermer heeft ervaren. Als het moet, dan werkt de moeder mee. Moeder is positief over de inzet van Beter Thuis en ontvangt zelf ondersteuning van haar behandelaar. De moeder hoopt dat [minderjarige] mee gaat werken aan de hulpverlening, haar omgekeerde dag- en nachtritme doorbreekt en meer verantwoordelijkheid en zelfreflectie ontwikkelt. Zij ziet dat [minderjarige] momenteel steun ervaart van [hulpverlener] , die zij via het wijkteam heeft ingeschakeld en structuur biedt. De moeder heeft daarnaast eerder aangegeven dat [minderjarige] hulp nodig heeft bij haar emotieregulatie. De moeder zou graag zien dat de ondertoezichtstelling met een halfjaar verlengd wordt, zodat over een halfjaar weer gekeken kan worden of er een verlenging nodig is.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. Hoewel moeder en [minderjarige] de afgelopen periode positieve stappen hebben gezet, blijven er zorgen bestaan waarvoor het van belang is dat passende hulpverlening wordt ingezet. Deze zorgen hebben voornamelijk betrekking op het feit dat [minderjarige] nog niet naar school gaat. Daarnaast bestaat er nog onduidelijkheid over de school waar zij geplaatst zal worden en wanneer zij haar schoolgang kan hervatten. Bovendien woont [minderjarige] pas sinds korte tijd weer bij moeder thuis, waardoor het belangrijk is om de stabiliteit en ontwikkeling binnen de thuissituatie verder te ondersteunen. Het is daarom van belang dat er verder wordt gewerkt aan de relatie tussen moeder en [minderjarige] , waarbij wordt gekeken hoe moeder meer in haar kracht kan worden gezet, beter kan aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] en haar op een passende manier kan ondersteunen en aansturen. Positief is dat moeder en [minderjarige] een goede band met elkaar hebben en dat zij veel met elkaar delen. Daarnaast is het belangrijk om in kaart te brengen welke aanvullende ondersteuning en hulpverlening [minderjarige] nodig heeft.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Ondanks dat de moeder goed in samenwerking is met de hulpverlening, is het nodig dat ook [minderjarige] actief betrokken raakt, gemotiveerd wordt en zich inzet voor de ingezette hulpverlening. Daarvoor is op dit moment een gedwongen kader noodzakelijk. [minderjarige] heeft momenteel vertrouwen in [hulpverlener] . Het is daarom van belang om te onderzoeken op welke wijze [hulpverlener] een rol kan blijven spelen in het behouden en versterken van deze vertrouwensrelatie en hoe dit kan bijdragen aan de verdere hulpverlening aan [minderjarige] . De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling voor een jaar verlengen. Er is sprake van een hardnekkig patroon dat doorbroken moet worden, wat niet binnen een half jaar haalbaar lijkt. Daarnaast zal naar verwachting de komende periode nodig zijn om de schoolgang van [minderjarige] zorgvuldig vorm te geven.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 22 augustus 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 door mr. C.M. Koole, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. B. Boogaarts als griffier, en op schrift gesteld op 7 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.