RECHTBANK DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/706982 / JE RK 26-1040
Datum uitspraak: 29 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2].
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
2. De feiten
[minderjarige] is erkend door de vader.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 juli 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 31 augustus 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 november 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 31 juli 2026.
3. Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De gecertificeerde instelling motiveert het verzoek als volgt. Na de machtiging tot uithuisplaatsing zijn er meerdere aanmeldingen gedaan voor woningen en voor weekendopvang. Om financiële redenen is dit uiteindelijk niet gelukt. Daarnaast is de afgelopen periode gewerkt aan de gestelde doelen, maar deze doelen zijn nog niet behaald. Dit maakt dat er nog steeds zorgen zijn over de ontwikkeling van [minderjarige]. De afgelopen periode is er gewerkt aan het creëren van een voorspelbare thuissituatie met voldoende structuur en duidelijkheid. Hierin zijn positieve stappen gezet. De moeder krijgt hierbij ondersteuning van [zorginstantie 1] en laat zien dat zij zich actief inzet voor het creëren van rust, structuur en voorspelbaarheid. Positief is dat de escalaties in de thuissituatie zijn afgenomen, mede doordat de zus van [minderjarige] niet meer thuis woont. Tegelijkertijd blijft sprake van een kwetsbare situatie. [minderjarige] raakt snel overprikkeld en kan bij spanning boos en agressief reageren. Ondanks haar inzet lukt het moeder door beperkte draagkracht onvoldoende om hem structureel de benodigde begrenzing, begeleiding en veiligheid te bieden. Hierdoor is de voorspelbaarheid en veiligheid thuis niet altijd gewaarborgd. Daarbij komt dat de hulpverlening voor [minderjarige] moeizaam op gang komt, omdat [minderjarige] een complexe hulpvraag heeft, waarbij sprake is van autisme, verstandelijke beperking en emotieregulatie problemen. Daarnaast staat hij wantrouwend tegenover professionals en heeft hij moeite om contact aan te gaan. Hierdoor komen noodzakelijke behandeling en ondersteuning onvoldoende van de grond. Wat betreft het contact tussen [minderjarige] en vader, heeft [minderjarige] met kerst in 2025 zelf contact opgenomen met vader. De gecertificeerde instelling blijft [minderjarige] stimuleren in het contact met de vader. Daarnaast ontbreekt op dit moment een concreet en duurzaam toekomstperspectief. Gezien zijn blijvende en intensieve zorgbehoefte is het noodzakelijk om tijdig toe te werken naar passende diagnostiek -waarvoor een aanmelding is gedaan bij GGZ-Rivierduinen- , het aanvragen van een Wlz-indicatie en het realiseren van een passende woonplek binnen de volwassenenzorg. Zonder regie van de gecertificeerde instelling bestaat het risico dat deze trajecten stagneren en [minderjarige] verder vastloopt in zijn ontwikkeling. Daarnaast moet verder gekeken worden naar een weekendopvang zodat de moeder ontlast wordt. De moeder kan wisselend reageren op hulp, zoals zij ook wisselend heeft gereageerd op weekendopvang. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is daarom noodzakelijk.
4. De standpunten
Door de vader is naar voren gebracht dat hij het niet eens is met de verlenging van de ondertoezichtstelling. Volgens de vader gaat het momenteel goed met [minderjarige] bij de moeder. Er hebben zich geen incidenten voorgedaan en [minderjarige] heeft rust in zijn hoofd. Als er iemand betrokken blijft, blijft er onrust ontstaan en als er mensen bij de moeder en [minderjarige] thuis komen laat [minderjarige] weer onrust zien. De vader is blij met het contact wat hij momenteel heeft met [minderjarige], al zou dit wat uitgebreider kunnen. Tot slot merkt de vader op dat het contact tussen de vader en de jeugdbeschermer nog steeds moeizaam verloopt. De vader stelt dat hij onvoldoende wordt geïnformeerd en niet op de hoogte wordt gehouden van de ontwikkelingen.
Door de moeder is naar voren gebracht dat zij veel steun ervaart van [zorginstantie 1] en [zorginstantie 2]. Zij vindt het vooral van belang dat zij blijven ter ondersteuning. Wat betreft de betrokkenheid van de jeugdbeschermer geeft de moeder aan dat zij weinig contact heeft met de jeugdbeschermer. Wel vindt de moeder het fijn als de jeugdbeschermer samen met de moeder kijkt naar het toekomstperspectief van [minderjarige]. De moeder geeft aan hier weinig verstand van te hebben en de ondersteuning te kunnen gebruiken.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Er is nog steeds sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige]. [minderjarige] functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau en er is sprake van een autismespectrumstoornis, hechtingsproblematiek en trauma. Hierdoor heeft hij een bovengemiddelde behoefte aan structuur, duidelijkheid, nabijheid en een opvoeder die hem kan begrijpen en begrenzen. Het afgelopen jaar is gewerkt aan de gestelde doelen, maar deze zijn nog niet volledig behaald. De kinderrechter merkt daarbij op dat er het afgelopen jaar wel positieve stappen zijn gezet. De moeder ervaart veel steun van de hulpverlening die zij ontvangt, er is inmiddels contact tussen [minderjarige] en zijn vader en er hebben zich geen incidenten meer voorgedaan in de thuissituatie. Zoals ook door de vader is aangegeven, is er meer rust ontstaan. In de komende periode dient de samenwerking met de hulpverlening van [zorginstantie 1] en de [zorginstantie 2] te worden voortgezet, zodat verder gewerkt kan worden aan de gestelde doelen. Daarnaast is het belangrijk dat [minderjarige] vertrouwen krijgt in de hulpverlening, zodat hij de benodigde ondersteuning kan ontvangen. Ook dient er samen met de ouders gekeken te worden naar het toekomstperspectief van [minderjarige] en moet er blijvend aandacht worden besteed aan het contact tussen [minderjarige] en de vader. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan op dit moment niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. [minderjarige] staat momenteel onvoldoende open voor het accepteren van hulpverlening. Daarnaast kan ook de moeder ambivalent tegenover hulpverlening staan, zoals het wel of niet inzetten van weekendopvang. De kinderrechter zal gelet op het bovenstaande de ondertoezichtstelling verlengen voor de duur van een jaar. Van de gecertificeerde instelling wordt verwacht dat zij beide ouders actief informeert en betrekt bij de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 31 juli 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026 door mr. C.M. Koole, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. B. Boogaarts als griffier, en op schrift gesteld op 7 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.