ECLI:NL:RBDHA:2026:24687

ECLI:NL:RBDHA:2026:24687

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-07-2026
Datum publicatie 30-08-2026
Zaaknummer C/09/701512 / FA RK 26-2637
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

bodemprocedure gecombineerd met de voorlopige voorziening; vaststelling kinderalimentatie periode; wijziging kinderalimentatie

Uitspraak

Verzoek en verweer in de bodemprocedure met zaaknummer C/09/701676 FA RK 26-2709:

Het verzoek van de vrouw strekt om voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:

primair

 de rechtbank voor recht verklaart dat de man over de periode van l mei 2017 tot l juli 2025 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te voldoen van €225, - per maand, telkens bij vooruitbetaling, althans een ingangsdatum en einddatum en een bijdrage als de rechtbank in goede justitie vermeent te bepalen;

subsidiair

 de man met ingang van l mei 2017 tot l juli 2025 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te voldoen van €225, - per maand, althans een ingangsdatum en een einddatum en een bijdrage als de rechtbank in goede justitie vermeent te bepalen;

 met terugwerkende kracht op de vastgestelde kinderalimentatie de wettelijke indexering ex artikel l:402a BW van toepassing is vanaf het moment waarop de bijdrage oorspronkelijk verschuldigd was en dat de man gehouden is de geïndexeerde bijdragen over de voorgaande jaren te voldoen;

 te bepalen dat de man met ingang van primair l juli 2025, subsidiair de datum van indiening van het verzoek, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige dient te voldoen van € 518, - per maand, te vermeerderen met de wettelijke indexering ex artikel 1:402a BW, althans een zodanig bedrag en met ingang van een datum als de rechtbank in goede justitie zal bepalen.

De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de man zelfstandig verzocht te bepalen dat de man vanaf datum beschikking aan de vrouw zal voldoen een bedrag ter hoogte van € 184,- voor de bijdrage in de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

in de voorlopige voorzieningenprocedure met zaaknummer C/09/701512 FA RK 26-2637

De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

 de man met ingang van de indiening van het verzoek, dan wel datum beschikking, voorlopig een bedrag van € 518,- per maand aan kinderalimentatie te betalen, althans een zodanig bedrag en met ingang van een datum als de rechtbank in goede justitie zal bepalen.

De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de man zelfstandig verzocht te bepalen dat de man vanaf datum beschikking aan de vrouw zal voldoen een bedrag ter hoogte van € 184,- voor de bijdrage in de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Verklaring voor recht

De vrouw heeft primair verzocht om een verklaring voor recht van de door de man betaalde kinderalimentatie van € 225,- per maand in de periode 1 mei 2017 tot 1 juli 2025. Op de zitting heeft de rechtbank dit verzoek met de vrouw besproken. Namens de vrouw is toegelicht dat het verzoek neerkomt op haar eerste subsidiaire verzoek. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen en de andere verzoeken inhoudelijk beoordelen.

Kinderalimentatie in de periode 1 mei 2017 tot 1 juli 2025

Vaststelling

De vrouw verzoekt subsidiair om het door partijen mondeling afgesproken bedrag van € 225,- aan kinderalimentatie vast te leggen in een beschikking. Zij stelt dat de man immers altijd dit bedrag betaald heeft en nooit om een wijziging heeft verzocht. De vrouw wenst deze vastlegging zodat zij over een executoriale titel beschikt. De man erkent dat hij tot maart 2025 een maandelijks bedrag van € 225,- aan de vrouw heeft overgemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen hiermee een overeenkomst ten aanzien van de kinderalimentatie met elkaar gesloten doordat zij allebei jaren (stilzwijgend) hebben ingestemd met het overeengekomen bedrag van € 225,- per maand. Nu partijen het in die tijd eens zijn geweest over dit bedrag, zal de rechtbank het bedrag aan kinderalimentatie van € 225,- vaststellen voor de periode 1 mei 2017 tot 1 juli 2025.

Indexering

Op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt het bij overeenkomst vastgestelde bedrag voor levensonderhoud jaarlijks van rechtswege gewijzigd met een door Onze Minister van Justitie vast te stellen percentage, dat, behoudens het bepaalde in het derde en vierde lid, overeenkomt met het procentuele verschil tussen het indexcijfer der lonen per 30 september van enig jaar en het overeenkomstige indexcijfer in het voorafgaande jaar.

De rechtbank overweegt dat op basis van bovenstaand artikel ook een onderling afgesproken bedrag jaarlijks geïndexeerd kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank is dit ook mogelijk op de overeenkomst van partijen. Dit zou betekenen dat er voor de man een terugbetalingsverplichting ontstaat vanaf 1 mei 2017 tot 1 juli 2025. Dit acht de rechtbank niet redelijk, te meer nu gebleken is dat het bedrag van € 225,- in onderling overleg tussen partijen tot stand is gekomen en daar nooit problemen mee zijn geweest in een periode van ruim acht jaar. Daarnaast heeft de man tot maart 2025 altijd aan de afspraak voldaan door maandelijks het afgesproken bedrag te betalen aan de vrouw. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw om het vastgestelde bedrag van € 225,- jaarlijks te indexeren en de man dat bedrag terug te laten betalen, afwijzen.

Kinderalimentatie vanaf 1 juli 2025

Ontvankelijkheid

Nu is gebleken dat tussen partijen een overeenkomst tot kinderalimentatie is gesloten, kan deze worden gewijzigd op de grond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor het aanvankelijk overeengekomen bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet (artikel 1:401 lid 1 BW).

De vrouw geeft aan dat zij eerder geen inzage had in de financiële stukken van de man. Nu de man inmiddels inzage heeft gegeven, stelt de vrouw zich op het standpunt dat de kinderalimentatie opnieuw dient te worden vastgesteld aangezien de man meer inkomen heeft dan de vrouw aanvankelijk dacht.

De rechtbank zal hierna aan de hand van een beoordeling van de draagkracht onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijziging van omstandigheden ertoe leidt dat de overeengekomen alimentatie niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Daarbij geldt dat de rechtbank zelfstandig oordeelt over de kinderalimentatie met inachtneming van de wettelijke maatstaven en alle op het moment van deze beschikking bestaande relevante omstandigheden. De rechtbank is in dit geval niet langer gebonden aan wat partijen onderling over die alimentatie zijn overeengekomen.

Inhoudelijke beoordeling

Bij de wijziging van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Ingangsdatum

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum.

De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 13 februari 2026, omdat de man vanaf deze datum redelijkerwijs rekening heeft kunnen houden met de mogelijkheid dat het te betalen bedrag aan kinderalimentatie gewijzigd kon worden.

Behoefte

Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] € 890,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank hier rekening mee zal houden.

Draagkracht vrouw

Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een parttime inkomen van € 2.505,- bruto per maand exclusief vakantiegeld, zoals volgt uit de overgelegde salarisstrook van juni 2026. Gelet op de ingangsdatum van de kinderalimentatie en de beschikbare inkomensgegevens van partijen, zal de rechtbank rekenen met de tarieven van 2026-II.

De rechtbank houdt verder rekening met:

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het huidige NBI van de vrouw in 2026 op € 2.899,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.200, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [2.899 – (869 + 1.365)] = € 465,- per maand.

Draagkracht man

Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 5.685,- bruto per 4 weken exclusief vakantiegeld, zoals volgt uit de overgelegde salarisspecificaties van januari t/m mei 2026.

De rechtbank houdt verder rekening met:

Tussen partijen is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van zijn werkelijke woonlasten in plaats van het woonbudget van 30% van het NBI van de man. De vrouw stelt dat moet worden uitgegaan van het woonbudget, terwijl de man zich op het standpunt stelt dat zijn woonlasten duurzaam en aanmerkelijk hoger liggen omdat hij genoodzaakt was een groter huis te kopen met zijn nieuwe partner en haar kinderen. De werkelijke woonlasten van de man bedragen volgens hem € 2.578,10 per maand.

De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget, en overweegt daartoe als volgt. De hogere woonlasten kan de man delen met zijn nieuwe partner. Daarnaast had de man een minder groot huis kunnen kopen en kunnen wachten met de verbouwing. De hogere woonlasten van de man zijn naar het oordeel van de rechtbank daardoor vermijdbaar en verwijtbaar.

Tussen partijen is verder in geschil of voor de bepaling van het draagkrachtloos inkomen van de man moet worden uitgegaan van extra lasten van de man. De man heeft aangevoerd dat de rechtbank rekening moet houden met zijn aflossing van het bouwdepot, en het bedrag aan kinderalimentatie wat hij maandelijks betaalt voor zijn kind uit een andere relatie. Hij stelt dat de aflossing van het bouwdepot maandelijks € 430,- bedraagt en het bedrag aan kinderalimentatie € 200,- per maand is. De man heeft hiertoe aflossingsgegevens van het bouwdepot overgelegd en bewijzen van maandelijkse afschrijvingen van € 200,- aan zijn andere ex-partner.

De rechtbank overweegt dat zij alleen rekening kan houden met extra lasten indien deze niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn. Wat betreft het bouwdepot heeft de man onvoldoende onderbouwd waarom deze kostenpost niet vermijdbaar en verwijtbaar zou zijn. De rechtbank houdt daarom geen rekening met de aflossing van het bouwdepot. Voor wat betreft het bedrag van € 200,- per maand aan kinderalimentatie is de rechtbank gebleken dat dit een niet-vermijdbare en niet-verwijtbare kostenpost is, en de man deze kinderalimentatie daadwerkelijk betaalt, zodat deze moet worden meegenomen in de berekening.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 4.464,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365) – € 200] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [4.464 – (1.339 + 1.365) – € 200] = € 1.032,- per maand.

Zorgkorting

Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de zorgkorting. Gelet op de vastgelegde zorgregeling waarbij de man gemiddeld twee dagen per week de zorg draagt voor [minderjarige] , geldt een zorgkortingspercentage van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 222,- per maand (25% van € 890,-).

Draagkrachtvergelijking

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.497,- per maand (€ 465 + € 1.032). Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.032 / 1.497 x 890 = € 614,-

Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 465 / 1.497 x 890 = € 276,-

samen € 890,-

Van de totale behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 614,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 276,- per maand, komt voor rekening van de vrouw.

Rekening houdend met de hiervoor vastgestelde zorgkorting van € 222,- per maand, is de man in staat aan de vrouw een kinderalimentatie te betalen van (€ 614 - € 222 =) € 392,- per maand.

Conclusie

Uit voorgaande berekeningen volgt dat de man aan de vrouw voor [minderjarige] een bedrag van € 392,- per maand dient te voldoen. De rechtbank zal dit bedrag aan kinderalimentatie vaststellen met ingang van 13 februari 2026.

Aanhechten berekeningen

De rechtbank heeft berekeningen gemaakt van de draagkracht van partijen. Deze berekeningen zijn aan de beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.

Beslissing

De rechtbank:

stelt de door de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , vast op € 225,- per maand in de periode 1 mei 2017 tot 1 juli 2025;

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 13 februari 2026, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 392,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen en voor het eerst te verhogen met de wettelijke indexering vanaf 1 januari 2027;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. R. Warmerdam als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 juli 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R. Warmerdam

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand