ECLI:NL:RBDHA:2026:24688

ECLI:NL:RBDHA:2026:24688

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 30-07-2026
Datum publicatie 30-08-2026
Zaaknummer C/09/693475 / FA RK 25-7998
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Gezamenlijk gezag (overeenstemming). hoofdverblijfplaats, zorgregeling, kinderalimentatie.

Uitspraak

Gezag, omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en alimentatie

Beschikking op het op 20 oktober 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. S.A. Ray te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. P. Rodrigues de Carvalho te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verweer tegen de zelfstandig verzoeken;

De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.

Op 1 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

Feiten

- De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad.

- Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] ,

- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2021 te [geboorteplaats] .

- De ouders oefenen volgens een aantekening in het gezagsregister sinds 28 juli 2016 het gezamenlijk gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige 3] belast.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt de rechtbank – voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad – :

 in de zomervakantie in week 1, 4 en 5 bij de moeder zijn en in week 2, 3 en 6 bij de vader;

 in de kerstvakantie de eerste week bij de moeder zijn en de tweede week bij de vader;

 in de meivakantie de eerste week bij de moeder zijn en de tweede week bij de vader;

 in de herfstvakantie en de krokusvakantie conform de reguliere zorgregeling bij de ouders verblijven;

- een feestdagenregeling vast te stellen, waarbij de kinderen:

 bij de moeder zijn op Kerstavond, eerste en tweede Kerstdag, tweede Paasdag, tweede Pinksterdag en Hemelvaart;

 bij de vader zijn tijdens het Suikerfeest, het slachtfeest en goede vrijdag;

 op Oudjaarsavond en Nieuwjaarsdag om het jaar roulerend bij ieder van de ouders zijn;

 op eerste Paasdag en eerste Pinksterdag conform de reguliere zorgregeling bij de ouders verblijven;

kosten rechtens.

De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt na wijziging en voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad:

 de kinderen afwisselend één volledige week bij de vader en één volledige week bij de moeder verblijven;

 het wisselmoment plaatsvindt op maandag, waarbij de ouder bij wie de kinderen verblijven hen naar school brengt en de andere ouder hen na schooltijd van school ophaalt;

 de reguliere school-, sport- en overige activiteiten tijdens beide weken zo veel mogelijk worden voortgezet;

 voor de duur dat de gemeenschappelijke woning, staande en gelegen aan de [adres] , nog niet tussen partijen is verdeeld ofwel door de vader is overgenomen, te bepalen dat partijen uitvoering geven aan een birdnesting-regeling, waarbij de kinderen in de echtelijke woning verblijven en partijen elkaar wekelijks afwisselen in het gebruik van de woning overeenkomstig de week-op-week-afregeling, terwijl de ouder bij wie de kinderen die week niet verblijven geen gebruik maakt van de woning;

 althans een zodanige zorgregeling die de rechtbank in de gegeven omstandigheden rechtvaardig acht;

kosten rechtens.

De moeder voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vader ten aanzien van de omgang c.q. zorgregeling en de vakantieregeling, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Gezag

De vader verzoekt de rechtbank om de ouders gezamenlijk te belasten met het gezag over [minderjarige 3] . De moeder heeft met dit verzoek ingestemd.

De rechtbank zal het verzoek als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich verzet tegen het toewijzen van het verzoek tot gezamenlijk gezag.

Overige verzoeken in het kader van het gezag

De moeder heeft ook verzocht te bepalen dat ingrijpende beslissingen slechts kunnen worden genomen na voorafgaand overleg en met instemming van beide ouders. De rechtbank overweegt dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor een dergelijk verzoek, in die zin dat uit het gezamenlijk gezag reeds voortvloeit dat beide ouders moeten instemmen met belangrijke beslissingen aangaande de kinderen. Daarom zal de rechtbank dit verzoek afwijzen vanwege gebrek aan belang.

Hoofdverblijfplaats

De moeder stelt dat zij tijdens de relatie van de ouders en sinds het verbreken daarvan eind mei 2025 altijd de primaire verzorger van de kinderen is geweest. Dat de feitelijke verzorging en opvoeding van de kinderen structureel bij de moeder berust, volgt volgens de moeder ook uit het feit dat de vader gemiddeld een week per maand zonder voorafgaande mededeling in het buitenland verblijft. Daarnaast wijst de moeder erop dat de vader sinds april 2026 gedurende langere periodes geen structurele zorg heeft gedragen voor de kinderen omdat hij gezondheidsklachten zou ervaren. De moeder geeft aan dat zij in deze periode haar werkzaamheden heeft aangepast om de zorg voor de kinderen te kunnen dragen.

De vader betwist dat hij maandelijks zonder voorafgaande mededeling een week in het buitenland verblijft en dat de moeder de primaire verzorger van de kinderen is. Hij stelt dat de zorg voor de kinderen tot voor kort nagenoeg gelijk verdeeld was tussen de ouders en dat hij betrokken is bij de opvoeding en de dagelijkse verzorging van de kinderen. Hij verblijft met de kinderen in de woning en de vrouw logeert bij haar ouders, die daar dichtbij wonen. Als de vader niet thuis is verblijft de vrouw met de kinderen in de echtelijke woning. Daarnaast stelt de vader dat hij de gemeenschappelijke woning wil behouden zodat de kinderen in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen en dat hij de moeder zal uitkopen uit deze woning. Gelet hierop meent de vader dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen met het oog op hun belang bij continuïteit en stabiliteit bij de vader dient te worden bepaald.

Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank duidelijk geworden dat de vader vanaf april 2026 niet meer in de woning, maar in een hotel slaapt, omdat hij mede vanwege zijn drukke werk de spanningen niet meer aankan. Hij heeft de kinderen in deze periode alleen in de weekenden gezien en dan de zorg op zich genomen. Ook is gebleken dat de vader in deze periode regelmatig in het buitenland heeft verbleven. Hieruit maakt de rechtbank op dat de moeder in de afgelopen maanden – en in ieder geval sinds april 2026 – het grootste deel van de zorg voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] heeft gedragen. De rechtbank begrijpt de wens van de vader om de kinderen verder te laten opgroeien op de plek waar zij vertrouwd zijn, maar ziet geen reden om het hoofdverblijfplaats om die reden te koppelen aan de woning die volgens de vader aan hem zal gaan toebehoren, maar nu nog van beide ouders is. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de moeder bepalen.

Zorgregeling

De moeder stelt dat er nu geen duidelijke zorgregeling is en dat dit voor verwarring en onrust bij de kinderen zorgt. Volgens haar is het van belang dat er een concrete en vaste zorgregeling komt, waarbij de kinderen structureel contact hebben met de beide ouders.

De vader stelt dat het voorstel van de moeder niet aansluit bij de verdeling van zorg- en opvoedingstaken tijdens de relatie en zoals sinds het uiteengaan van partijen feitelijk wordt uitgevoerd. Daarmee wijkt het af van wat de kinderen gewend zijn. De vader meent dat er een regeling moet worden vastgesteld waarbij het aantal overdrachtsmomenten en reisbewegingen voor de kinderen aanzienlijk wordt beperkt en verzoekt daarom een week-op-week-af regeling vast te stellen. Daarnaast verzoekt hij te bepalen dat partijen uitvoering zullen geven aan een birdnesting-regeling zolang de gemeenschappelijke woning nog niet tussen de ouders is verdeeld ofwel door de vader is overgenomen.

De rechtbank heeft uitvoerig met de ouders gesproken over de manier waarop de zorgregeling vorm zou kunnen krijgen en heeft met input van de ouders een zorgregeling voorgesteld. De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij zich in deze regeling kunnen vinden en daarom zal de rechtbank deze regeling vaststellen. Zoals de rechtbank ook tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven, sluit deze zorgregeling grotendeels aan bij het voorstel van de moeder, met als voornaamste wijziging dat de wisselmomenten steeds via school plaatsvinden en niet bij de ouders thuis. Zo wordt rust gecreëerd en worden spanningen tussen de ouders tijdens wisselmomenten voorkomen. De rechtbank zal deze zorgregeling in het dictum vastleggen, waarbij nog wordt opgemerkt dat de verdeling van de vrijdag in de tweede week niet zo nadrukkelijk aan de orde is geweest tijdens de mondelinge behandeling.

In dit verband zal de rechtbank ook bepalen dat de ouders de zorgregeling zullen uitvoeren in de (voormalig) gezamenlijke woning van partijen, zolang deze woning nog aan beide ouders toebehoort. Daarbij geldt dat alleen de ouder die volgens de zorgregeling op dat moment de zorg voor de kinderen draagt, in de woning aanwezig is.

Vakanties en feestdagen

De ouders hebben tijdens de zitting eveneens gedeeltelijke overeenstemming bereikt over de verdeling van de vakanties en feestdagen en de rechtbank zal deze verdeling dan ook in het dictum opnemen.

Hoewel de ouders het erover eens zijn dat de zomervakantie bij helfte moet worden verdeeld, zijn zij het niet eens over de specifieke verdeling van de weken. Zoals de rechtbank ook tijdens de zitting heeft aangegeven, zal zij gelet op de nog jonge leeftijd van [minderjarige 3] bepalen dat de zomervakanties van 2026 en 2027 worden verdeeld volgens de 1-2-2-1-verdeling, zoals de moeder heeft verzocht. Vanaf 2028 zal gelden dat de kinderen in de zomervakantie de eerste drie weken bij de ene ouder zullen doorbrengen, en de laatste drie weken bij de andere ouder, zoals de vader heeft verzocht. De ouders dienen in beide situaties in onderling overleg te bepalen gedurende welke weken de kinderen bij welke ouders zullen zijn.

Overige verzoeken in het kader van de zorgregeling

De ouders hebben in het kader van de zorgregeling over en weer ook verzoeken geformuleerd die betrekking hebben op het plannen/laten doorgaan van activiteiten van de kinderen in het kader van de zorgregeling. Daarnaast heeft de moeder de rechtbank verzocht te bepalen dat de andere ouder eerst in de gelegenheid dient te worden gesteld om de zorg over te nemen van de kinderen indien een ouder onverhoopt niet in staat is de kinderen te verzorgen volgens de zorgregeling, voordat een andere vorm van opvang wordt geregeld.

Ten aanzien van deze verzoeken overweegt de rechtbank als volgt. Het gezamenlijk gezag brengt mee dat belangrijke beslissingen over de kinderen gezamenlijk door de ouders moeten worden genomen. Dat ziet ook op wekelijkse terugkerende activiteiten van de kinderen die beide ouders raken, zoals voetbaltrainingen en/of -wedstrijden en de Arabische les van de kinderen. Het is in het belang van de kinderen dat zij – ongeacht de ouder die dan zorg voor hun draagt – aan deze activiteiten kunnen deelnemen. Ook verwacht de rechtbank dat de ouders als vanzelfsprekend eerst de andere ouder zullen aanspreken om de zorg voor de kinderen over te nemen op het moment dat het hen niet lukt om dat zelf te doen, en dat zij dit ook tijdig zullen aangeven bij de andere ouder. Ook dat is in het belang van de kinderen. Voor opname in het dictum leent zich dit niet.

Kinderalimentatie

Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, opgenomen in het Rapport alimentatienormen, als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.

Ingangsdatum

Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.

De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van de beschikking, omdat is gebleken dat de vader in de afgelopen maanden de nodige verblijfsoverstijgende kosten heeft gedragen en er tijdens de mondelinge behandeling voor het eerst concrete afspraken zijn gemaakt over de verdeling van de zorg voor de kinderen.

Behoefte

Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.

Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun relatie worden bepaald.

Partijen zijn het niet eens over het NBI van de moeder, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 43.487,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgave 2025 van Stichting Amsterdam UMC.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder op het moment van de relatie op € 3.208,- per maand.

Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de vader, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 5.350,- bruto per maand exclusief vakantiegeld. De rechtbank baseert dit op de salarisspecificatie van december 2025 van [bedrijf] B.V. De rechtbank houdt verder rekening met de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

Verder ziet de rechtbank aanleiding om rekening te houden met de rekening-courant van de directie van [bedrijf] B.V., die volgens de jaarstukken van 2024 in dat jaar is opgelopen van € 104.908,- naar € 157.296,-. Dat betekent dat er € 52.388,- is opgenomen in rekening-courant door de directie. Tijdens de zitting heeft de vader toegelicht dat hij regelmatig geld opneemt in rekening-courant en dat hij dit geld gebruikt om te voorzien in de kosten van de huishouding en de kosten voor de kinderen. Volgens de vader vormt dit geen inkomensbestanddeel, maar een schuld aan de B.V. en kan zijn compagnon ook geld opnemen in rekening-courant. Nu uit de jaarstukken blijkt dat alleen de vader de directie voert over [bedrijf] B.V. en de vader heeft aangegeven de opnames in rekening-courant te hebben gebruikt ten behoeve van kosten van de huishouding, gaat de rechtbank ervan uit dat de vader in 2025 vergelijkbare opnames in rekening-courant heeft gedaan ten behoeve van de kosten van de huishouding. Daarmee zal de rechtbank rekening houden in haar berekening.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de vader op het moment van de relatie op € 8.091,- per maand.

Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2025 dus € 11.299,- per maand (€ 3.208,- (NBI vrouw) + € 8.091,- (NBI man)). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 182,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.845,- per maand voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.930,- per maand.

De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.

Draagkracht moeder

Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder in 2026 gaat de rechtbank opnieuw uit van een inkomen van € 43.487,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgave 2025 van Stichting Amsterdam UMC, omdat de variabele maandelijkse inkomensbestanddelen van de moeder hierin reeds zijn verdisconteerd en wordt verwacht dat zij in 2026 een vergelijkbaar inkomen zal genereren.

Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2026 op € 4.134,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de moeder in 2026 hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan: 70% x [4.134 – (1.240 + 1.365)] = € 1.070,- per maand.

Draagkracht vader

Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 5.350,- bruto per maand exclusief vakantiegeld, te vermeerderen met € 124,- bruto per maand in verband met de werkkostenregeling DGA. De rechtbank gaat hierbij uit van de salarisspecificaties van [bedrijf] B.V. uit 2026.

De vader heeft gesteld dat hij geen dividenduitkeringen ontvangt en dat zijn inkomen alleen bestaat uit het salaris dat hij ontvangt van [bedrijf] B.V. Uit de overgelegde jaarstukken maakt de rechtbank op dat [bedrijf] B.V. in 2024 een resultaat heeft gegenereerd van € 121.306,-. Desgevraagd heeft de vader aangegeven dat dit resultaat niet (gedeeltelijk) is uitgekeerd omdat dat nodig is om de onderneming gezond te houden. De rechtbank volgt de vader niet in dit standpunt en is van oordeel dat de vader in staat is om dividend aan zichzelf uit te keren. De rechtbank schat deze dividenduitkering op € 30.000,- zodat er ook nog ruimte overblijft om te investeren in de onderneming.

Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2026 op € 5.682,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.

Omdat het NBI van de vader in 2026 ook hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [5.682 – (1.705 + 1.365)] = € 1.828,- per maand.

Draagkrachtvergelijking 2026

De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.898,- per maand (€ 1.070,- + € 1.828,-). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 1.828 / 2.898 x 1.930 = € 1.217,-

Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 1.070 / 2.898 x 1.930 = € 713,-

samen € 1.930,-

Van de totale behoefte van de kinderen komt een gedeelte van € 1.217,- per maand voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 713,- per maand komt voor rekening van de moeder.

Zorgkorting

Omdat de vader op basis van de in deze beschikking vastgestelde zorgregeling gemiddeld twee dagen per week de zorg heeft voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , geldt een zorgkortingspercentage van 25%. De zorgkorting bedraagt dan € 483,- per maand (25% van € 1.930,- (behoeftebedrag)). Deze zorgkorting wordt in mindering gebracht op het hiervoor berekende aandeel van de vader.

Conclusie

De rechtbank zal bepalen dat de vader aan de moeder vanaf heden een kinderalimentatie aan de moeder dient te betalen van € 734,- per maand, steeds bij vooruitbetaling te voldoen.

Proceskosten

Omdat het een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat voortaan aan de moeder en de vader gezamenlijk het gezag zal toekomen over [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2021 te [geboorteplaats] ;

*

bepaalt dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder;

*

stelt de volgende zorgregeling vast ten aanzien van de kinderen:

reguliere zorgregeling

week 1:

week 2:

vakanties en feestdagen

*

bepaalt dat de vader met ingang van heden een bedrag van € 734,- per maand aan kinderalimentatie moet betalen aan de moeder, steeds bij vooruitbetaling te voldoen;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 juli 2026.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.J. Klootwijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand