Vaststelling van staatloosheid
Beschikking op het op 11 december 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[wettelijk vertegenwoordiger 1] en [wettelijk vertegenwoordiger 2] ,
in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers (ouders) van
de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] ,
verzoeker/ [de minderjarige] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaten: mr. L. Haenen en E. Besselsen in Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat,
zetelende in ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. G. Wischhoff.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 11 juni 2026 van de Staat;
- de brief van 29 juni 2026 van de zijde van verzoeker;
- het e-mailbericht van 24 juli 2026 van de zijde van verzoeker.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met dat wat door verzoeker is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.
Feiten
De volgende feiten blijken uit het dossier:
- [de minderjarige] is geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] uit [wettelijk vertegenwoordiger 1] .
- [wettelijk vertegenwoordiger 2] heeft [de minderjarige] erkend op 17 februari 2025.
- [wettelijk vertegenwoordiger 1] verblijft sinds 1999 in Nederland en heeft sinds 22 februari 2024 een verblijfsvergunning onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’.
- Sinds 22 februari 2024 heeft [de minderjarige] een verblijfsvergunning ‘verblijf bij familie- of gezinslid’.
- Sinds 11 september 2024 heeft [wettelijk vertegenwoordiger 2] een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid bij [de minderjarige] .
- [wettelijk vertegenwoordiger 1] en [wettelijk vertegenwoordiger 2] hebben een voor echt bevonden Lets vreemdelingenpaspoort overgelegd.
Verzoek en het advies van de Staat
Verzoeker verzoekt vast te stellen dat hij staatloos is.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Beoordeling
Vaststelling staatloosheid
Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, hierna: Wvs).
Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat [de minderjarige] in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat [de minderjarige] onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
Relevante landen
Gelet op de overgelegde stukken zal de rechtbank Letland, Frankijk, de Russische Federatie en Nederland bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van de staatloosheid van [de minderjarige] betrekken. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat [de minderjarige] een andere nationaliteit kan hebben verkregen.
Wordt [de minderjarige] als onderdaan van Letland beschouwd?
Beide ouders van [de minderjarige] zijn geboren in [plaats] , Sovjet-Unie. Zij hebben een non-citizen status in Letland. Deze status hebben etnische Russen gekregen na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. Zij zijn ook in het bezit van een Lets vreemdelingenpaspoort, maar dit is een permanente verblijfsvergunning en geen staatsburgerschap. Samen met de Staat is de rechtbank van oordeel dat voldoende is gebleken dat de ouders geen burgers van Letland zijn. Ook is voldoende gebleken dat [de minderjarige] op basis van de Letse wetgeving de Letse nationaliteit niet heeft verkregen.
Wordt [de minderjarige] als onderdaan van Frankrijk beschouwd?
[wettelijk vertegenwoordiger 1] , de moeder van [de minderjarige] , heeft zeven jaar in Frankrijk gewoond voordat zij zich in Nederland heeft gevestigd. De rechtbank volgt het standpunt van de Staat dat het niet aannemelijk is dat [wettelijk vertegenwoordiger 1] de Franse nationaliteit heeft verkregen. Zij woont inmiddels sinds 2007 in Nederland en heeft (pas) in 2024 een verblijfsvergunning op grond van niet-tijdelijke humanitaire gronden verkregen. Daarbij komt dat in de bijlage bij de Franse echtscheidingsbeschikking uit 2006 is vermeld dat [wettelijk vertegenwoordiger 1] ten tijde van de echtscheiding de Letse nationaliteit had en dus niet, zoals haar toenmalige echtgenoot, de Franse nationaliteit. Bovendien heeft [wettelijk vertegenwoordiger 1] daarna nog een nieuw non-citizen paspoort van de Letse autoriteiten verkregen. Dit alles duidt erop dat niet aannemelijk is dat [wettelijk vertegenwoordiger 1] door naturalisatie de Franse nationaliteit heeft verkregen, zodat ook niet aannemelijk is dat [de minderjarige] bij zijn geboorte de Franse nationaliteit van zijn moeder heeft verkregen.
Wordt [de minderjarige] als onderdaan van de Russische Federatie beschouwd?
De ouders van [de minderjarige] zijn geboren in de Sovjet-Unie. Alleen staatsburgers van de voormalige Sovjet-Unie die op 6 februari 1992, de dag van de inwerkingtreding van de Wet op het Staatsburgerschap van de Russische Federatie geregistreerd stonden op het grondgebied van de Russische Federatie verkregen op dat moment het Russische staatsburgerschap van rechtswege. De status van ‘non-citizen’ werd in Letland gecreëerd om de immigranten (en hun nakomelingen) uit de Sovjettijd een juridische status te geven. De ouders van [de minderjarige] kunnen geen non-citizen status hebben verkregen in Letland en tegelijkertijd ook Russisch staatsburger zijn. De Staat is van mening dat er, voor zover bekend, geen grond is waarop [de minderjarige] van rechtswege Russisch staatsburger zou zijn geworden. Ook de rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat [de minderjarige] de Russische nationaliteit zou hebben verkregen.
Wordt [de minderjarige] als onderdaan van Nederland beschouwd?
[de minderjarige] is geboren in Nederland. De Nederlandse nationaliteitswetgeving is vastgelegd in de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). [de minderjarige] voldoet niet aan de voorwaarden die de RWN stelt voor verkrijging van het Nederlanderschap.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat [de minderjarige] door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd, zodat de staatloosheid van [de minderjarige] kan worden vastgesteld.
De rechtbank stuurt, na het onherroepelijk worden van deze beschikking, een afschrift van de beschikking naar de woongemeente van verzoeker.
Beslissing
De rechtbank:
stelt vast dat [de minderjarige] staatloos is.