RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaken tussen
het College van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 23/5525, 23/5541 en 23/5960
1. Bomenstichting Den Haag, uit Den Haag, eiseres 1 (23/5525);
(gemachtigde: mr. L. Mohammad),
2. [eiseres 2], uit [woonplaats] , eiseres 2 (23/5541) en
3. Algemene Vereniging voor Natuurbescherming voor ’s-Gravenhage en omstreken (AVN), eiseres 3, uit Den Haag (23/5960)
(gemachtigde: D. Ooms).Hierna ook gezamenlijk te noemen: eisers
en
(gemachtigden: mr. D.S.P. Roelands-Fransen, G. Koolhaas en M.J. Hehenkamp).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de gemeente Den Haag, vergunninghoudster
(gemachtigden: mr. D.S.P. Roelands-Fransen en mr. D.C.M. Vleeskens).
1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het kappen van 347 bomen, het verplanten van 7 bomen en het herplanten van 13.500 m² groen op het perceel [adres] . Eisers zijn het niet eens met de verlening van de vergunning, welke bij het bestreden besluit op bezwaar is gehandhaafd. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verlening van de vergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, omdat ook een aanlegvergunning nodig is. Het college had vergunninghoudster in de gelegenheid moeten stellen om de aanvraag in die zin aan te vullen, dat deze tevens betrekking heeft op de activiteit, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en, indien aanvulling zou zijn uitgebleven, de aanvraag wegens strijd met artikel 2.7, eerste lid, buiten behandeling dienen te stellen. Eisers krijgen dus gelijk en de beroepen zijn dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding en procesverloop
2. De gemeente Den Haag heeft een samenwerkingsovereenkomst gesloten met het Hoogheemraadschap van Delfland voor het realiseren van een waterbergingsgebied in park Molenvliet. Hierin is de verplichting opgenomen dat de gemeente zorgdraagt voor het voorbereiden en uitvoeren van alle activiteiten die voor het waterbergingsgebied nodig zijn. In de samenwerkingsovereenkomst is onder meer de verplichting opgenomen dat de gemeente zorgdraagt voor het aanleggen van een watergang voor de aanvoer van water uit De Vliet (de zogenaamde tweede watertoevoer). De tweede watertoevoer is nodig om in geval van extreme regenval de Vliet te ontlasten door water uit de Vliet in de waterberging Molenvlietpark te laten stromen. De Kansjesmolensloot heeft namelijk onvoldoende capaciteit om het waterbergingsgebied snel te vullen met water. De bomen worden gekapt om het graven van de tweede watertoevoer mogelijk te maken.
De tweede watertoevoer komt langs het Molenslootpad te liggen en sluit, na onderdoorgang van de Jan Thijssenweg, aan op De Vliet. Dit blijkt uit (1) het voorlopig ontwerp Molenvlietpark, (2) het bestemmingsplan “Molenvlietpark e.o.” en (3) het projectplan “Waterwet Tweede Watertoevoer”. Gelet op het belang van de aanleg van de nieuwe watergang, is het volgens de gemeente noodzakelijk 347 bomen te kappen en 7 bomen te herplanten.
Het plangebied valt binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het deel van de gemeente binnen het plangebied is aangemerkt als beheertype ‘Haagbeuken- en essenbos’ (14.03).
Er is een boomeffectanalyse (hierna: BEA) uitgevoerd door ‘Cobra adviseurs B.V.’. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport “Boomeffectanalyse Tweede Watertoevoer Molenvlietpark Den Haag” van 20 juni 2022. Daarbij is per boom toegelicht waarom de boom niet op de huidige standplaats behouden kan blijven.
Cobra adviseurs B.V.’ heeft ook een onderzoek uitgevoerd naar het herplanten van de bomen. De resultaten van dat onderzoek zijn vastgelegd in het rapport “Verplantbaarheidsonderzoek Landgoed Nieuw Vredenoord Den Haag” van 20 juni 2022.
Verder is door adviesbureau E.C.O. Logisch een ecologische quickscan uitgevoerd, waarvan de bevindingen zijn vastgelegd in het rapport “Quickscan Boezemwatergang De Tweede Toevoer Den Haag” van 1 november 2021. Door Movares is onderzoek verricht naar vleermuizen. De bevindingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport “Tweede toevoer bergingsgebied Vlietzone Den Haag. Aanvullend onderzoek vleermuizen” van 25 juni 2020.
Verder hebben de stadsecoloog en de groenbeheerder van de gemeente adviezen uitgebracht. De groenbeheerder heeft op 31 oktober 2022 een belangenafwegingformulier (BAF) ingevuld.
Op 19 augustus 2022 heeft de gemeente Den Haag een omgevingsvergunning aangevraagd voor het kappen van 347 bomen en het verplanten van 7 bomen.
Uit de BEA blijkt dat 55 bomen gekapt moeten worden voor de nieuw aan te leggen watergang en dat 21 bomen gekapt moeten worden omdat de plek waar zij nu groeien verhoogd wordt voor de aanleg van een duiker onder de Jan Thijssenweg. Verder moeten 113 bomen gekapt worden voor de nieuwe boezemkade en het beschermingsgebied van deze kade. In deze zone staan 4 bomen die verplantbaar zijn. Verder moeten er 68 bomen gekapt worden langs het Molenslootpad, omdat dit pad wordt verlegd, verbreed en opgehoogd in verband met de veranderende grondwaterstand. Verder moeten 54 bomen langs het Molenslootpad en de nieuwe watertoevoer worden gekapt vanwege de ophoging van het maaiveld. Verder moeten er 26 bomen gekapt worden in het gebied langs het Molenslootpad. Het maaiveld van de huidige standplaats van de bomen zal weinig veranderen, maar de grondwaterstand zal te hoog zijn vanwege de nieuwe watertoevoer. Bij de huidige ingang van het terrein moeten 17 bomen worden gekapt. Van deze 17 bomen kunnen 3 zomerlinden worden verplant op het terrein.
Met het besluit van 19 december 2022 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning voor het kappen van 347 bomen verleend. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit ‘het vellen of te doen vellen van houtopstand’ als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 2:87, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening voor Den Haag (APV). Aan deze vergunning zijn als voorwaarden verbonden dat 7 bomen moeten worden verplant en dat circa 13.500 m² aan groen moet worden herplant. Tevens is als voorschrift opgenomen dat vier nader aangeduide bomen pas gekapt mogen worden nadat de omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ voor het bouwen van de duiker is verleend.
Met het bestreden besluit van 2 augustus 2023 heeft het college het besluit van 19 december 2022 in stand gelaten. Het college heeft hierin overwogen dat het belang dat wordt gediend met de aanleg van de tweede watertoevoer (waterveiligheid voor een groot Haags en regionaal gebied) zwaarder weegt dan het belang dat is gemoeid met het behoud van de bomen. Uit de BEA en de beoordeling van de groenbeheerder van de gemeente blijkt waarom de bomen niet duurzaam behouden kunnen blijven en welke bomen kunnen worden verplant. Het aantal te kappen bomen is in de loop van de planvorming naar beneden bijgesteld van 414 naar 347. Verder is in het bestreden besluit overwogen dat het college voor de invulling van de omvang van de herplantplicht niet gebonden is aan de provinciale beleidsregel “Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland 2013” (beleidsregel) die invulling geeft aan de bevoegdheden van gedeputeerde staten op basis van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Het college heeft het door de adviescommissie in dat kader voorgestelde voorschrift daarom niet aan de omgevingsvergunning verbonden.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft een zienswijze ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2025 op zitting behandeld.
Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek geschorst, zodat het college zich schriftelijk kon uitlaten over de vraag of er een aanlegvergunningplicht als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo geldt, gelet op artikel 4.4, lid a, sub 4, van de planregels van het bestemmingsplan “Molenvlietpark e.o.”
Het college heeft haar standpunt schriftelijk ingediend. Eisers en vergunninghoudster hebben op het standpunt van het college schriftelijk gereageerd.
Op 14 juli 2026 heeft een nadere zitting plaatsgevonden.
Op 26 augustus 2026 heeft Bomenstichting Den Haag om rectificatie van de uitspraak van 25 augustus 2026 verzocht. Conform het verzoek heeft de rechtbank in de hersteluitspraak de verzochte schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en de proceskosten voor het indienen van een schriftelijke reactie en het bijwonen van de zitting toegekend. De toegevoegde overwegingen met betrekking tot de schadevergoeding en de proceskostenvergoeding zijn onderstreept. Verwijderde passages zijn doorgestreept.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om de omgevingsvergunning is op 19 augustus 2022 – en dus vóór 1 januari 2024 – ingediend, zodat de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Molenvlietpark e.o.” (bestemmingsplan). De percelen waarop de omgevingsvergunning betrekking heeft hebben - voor zover van belang - de enkelbestemmingen “Groen-Landgoed” (artikel 4) en “Water” (artikel 12) en (voor zover het de strook grond betreft langs de Kansjesmolensloot) de dubbelbestemming “Waterstaat-Waterkering” (artikel 19). Daarnaast geldt aangrenzend aan deze strook en in een strook langs de [adres] de aanduiding “overige zone - waterstaat - beschermingszone”.
De voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving is vermeld in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Is tevens een aanlegvergunning nodig?
4. De Bomenstichting, AVN en [eiseres 2] betogen dat op grond van artikel 4.4, sub a, onder 4, een aanlegvergunningplicht geldt voor het verwijderen van onderhavige bomen binnen de bestemming “Groen-Landgoed”. De aanvraag had op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo niet alleen betrekking moeten hebben op de activiteit “vellen van een houtopstand” maar ook op het “uitvoeren van een werk of werkzaamheden”. Daarnaast is ten onrechte geen omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan aangevraagd .
Het college stelt zich op het standpunt dat er op grond van de uitzondering in artikel 4.4, lid b, sub 2, van het bestemmingsplan geen aanlegvergunningplicht geldt, omdat de kap van de bomen met bijbehorend herplantingsplan verenigbaar is met het doel waarvoor de grond volgens het plan is bestemd. Doel van de in artikel 4.1 opgenomen bestemming “Groen-landgoed” en de daarbij vermelde functies is om de betrokken gronden te ontwikkelen tot een landgoed met de daarbij behorende elementen, zoals groenvoorziening. Daarmee wordt het plangebied overeenkomstig de bestemming tezamen met de naastgelegen landgoederen Vredenoord, Beukenhof en Hoornwijck, ontwikkeld tot een onderdeel van de cultuurhistorische landgoedzone aan de Vliet. Onderdeel van het naastgelegen landgoed Oud Vredenoord is het voor een landgoed kenmerkende Park- en Stinzebos in de stijl van Zochter. Het landgoed Nieuw Vredenoord inclusief Park- en Stinzebos is zorgvuldig ingepast in de landgoedzone en in het Molenvlierpark. Het herstel en ontwikkeling van een landgoed met dit kenmerkend natuurtype is dan ook voor de raad reden geweest om de bestemming “Groen-Landgoed” aan de gronden toe te kennen, en niet een reguliere groen- of natuurbestemming. Het herplantplan is er ook uitdrukkelijk op gericht om de beoogde groenvoorziening passend bij het boogde landgoed voor het plan- gebied te realiseren. Met het ontwerp van de (ligging van de) tweede watertoevoer en dit zorgvuldig tot stand gekomen herplantplan, waarin met de beplantingskeuze is ingespeeld op het Park- en Stinzebos, heeft de gemeente oog gehad voor het gewenste eindbeeld van het Park- en Stinzebos dat bij het landgoed hoort en waar de bestemming nu juist op is gericht. Derhalve wordt, gelet op het herplantplan, ruimte gecreëerd voor het herstel en ontwikkeling van de bij het landgoed beoogde landschappelijke waarden. Daarnaast worden de bomen verwijderd die de aanleg van de Tweede Watertoevoer niet zouden overleven. Daarmee is de bomenkap en herplant verenigbaar met de in artikel 4.1., sub a, van de planregels opgenomen bestemmingsomschrijving “behoud, herstel en de ontwikkeling van cultuurhistorische, ecologische en landschappelijke waarden van de gronden” en is op grond van artikel 4.4, lid b, sub 2, van het bestemmingsplan geen aparte aanlegvergunning nodig. Van onlosmakelijke samenhang als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo is dan ook geen sprake.
De Bomenstichting stelt dat uit de toelichting bij het bestemmingsplan niet volgt dat de bestemming “Groen-Landgoed” is toegekend om een landgoed te ontwikkelen met een Park- en Stinzebos. Blijkens die toelichting is die bestemming overgenomen uit de voorgaande beheersverordening Vlietzone en is die bestemming toegekend ter bescherming van de bestaande natuurwaarden. Met de toekenning van die bestemming aan het projectgebied is de bescherming van de natuurwaarden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) planologisch gewaarborgd. Het doel van die bestemming is de bescherming van het NNN-gebied en het verwijderen van bomen is niet verenigbaar met dat doel waarvoor de bestemming is gegeven.
De rechtbank stelt voorop dat de in de in artikel 14 van het bestemmingsplan opgenomen planregels ten aanzien van de bestemming “Water” geen aanlegvergunningsplicht is opgenomen. Voor zover de aanvraag ziet op de kap van bomen op gronden gelegen binnen de bestemming “Water” is derhalve geen aanlegvergunning nodig.
Voor zover de aanvraag ziet op de kap van bomen binnen de bestemming “Groen-Landgoed” overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge artikel 4.4, sub a, onder 4, geldt voor het verwijderen van bomen binnen deze bestemming een aanlegvergunningplicht. Op grond van artikel 4.4., sub b, onder 2, van de planregels geldt een uitzondering op deze aanlegvergunningsplicht, indien het verwijderen van de bomen verenigbaar is met het doel waarvoor de betreffende grond volgens het plan is bestemd. Bij beantwoording van de vraag of die uitzondering van toepassing is, is het bepaalde in artikel 4.3. van de planregels van belang. Ingevolge dit specifieke gebruiksverbod is gebruik van de gronden in ieder geval strijdig met de bestemming “Groen-Landgoed” indien dat gebruik strijdig is met het belang van de in artikel 4.1, onder a, van de planregels beschreven waarden. Dat betekent dat gebruik of ontwikkeling van de gronden binnen de bestemming “Groen-Landgoed” en de in dat kader vermelde functies zoals maatschappelijke doeleinden en kantoren, groenvoorziening, plantsoenen en water, op grond van dat specifieke gebruiksverbod in ieder geval in strijd is met het doel van die bestemming, indien dat gebruik in strijd is met het behoud, herstel en ontwikkeling van de cultuur-historische, ecologische en landschappelijke waarden. Gelet op dat specifieke gebruiksverbod is ook het verwijderen van de bomen niet verenigbaar met het doel waarvoor de grond volgens de bestemming “Groen-landschap” is bestemd, indien die verwijdering in strijd is met het belang van deze in artikel 4.1, onder a, van de planregels vermelde waarden. Ingevolge artikel 1.50 van de planregels wordt onder landschappelijke waarde verstaan de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet levende natuur.
In de voorafgaand aan onderhavig bestemmingsplan geldende beheersverordening Vlietzone gold voor onderhavige gronden reeds de bestemming “Groen-Landgoed” en waren deze gronden onder meer bestemd voor het behoud en/of herstel van natuurlijke, cultuur-historische en landschappelijke waarden. In de toelichting bij die beheersverordening staat het volgende:
“Art. 15 - Groen - Landgoed
Deze gronden zijn bestemd voor het behoud en/of herstel van natuurlijke, cultuur-historische en landschappelijke waarden, maatschappelijke doeleinden en kantoren alsmede voor sociaal-medische doeleinden (ter plaatse van de aanduiding 'welzijnsinstelling'). De voorheen geldende bestemming 'Landgoederen, natuurgebied' is op basis van de SVBP 2008 en het beleid dat de bestemming "Natuur" uitsluitend wordt toegekend aan Natura 2000 gebieden vervangen door de bestemming "Groen-Landgoed". Binnen deze bestemming is een vergunningstelsel opgenomen voor het uitvoeren van een werk geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (voormalig aanlegvergunningenstelsel) ter bescherming van de daar voorkomende natuurlijke en landschappelijke waarden. De cultuur-historische waarden worden door middel van de dubbelbestemming 'Archeologie' en het daarin opgenomen vergunningstelsel beschermd.”
In de toelichting op artikel 4 Groen-Landgoed in het bestemmingsplan Molenvliepark e.o. staat het volgende:
“Vredenburgh is ondergebracht binnen deze bestemming. De in de beheersverordening Vlietzone opgenomen regeling voor deze gronden is in dit bestemmingsplan overgenomen. Dat betekent dat de gronden bestemd zijn voor het behoud, hertel en ontwikkeling van cultuur-historische, ecologische en landschappelijke warden, groenvoorziening, water en plantsoenen.”
In die toelichting is verder het volgende opgenomen:
“5.8.2. Ecologische hoofdstructuur/Natuurnetwek Nederland
In de invloedssfeer van het plan en deels erbinnen liggen de landgoederen Vredenoord en Zeerust. Deze zijn onderdeel van de EHS, met de aanduiding "bestaande natuur en prioritaire nieuwe natuur". Bij een toetsing aan de EHS geldt dat ingrepen in de EHS niet toegestaan zijn als deze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van "redenen van groot openbaar belang" (nee, tenzij principe).
(…)
De waterberging in Vredenoord vindt plaats binnen de EHS. Voor het deelgebied waar de watercompensatie gepland staat zijn geen natuurbeheertypen aangewezen. In het aangrenzende perceel zijn de natuurbeheertypen N15.01 Duinbos en N04.02 Zoete Plas aangewezen. Als gevolg van de watercompensatie zal binnen de EHS het biotoop productiebos worden vervangen door een ander type biotoop. De verandering kan de natuurlijke waarden en kenmerken van het gebied verhogen. Dit hangt echter wel af van de exacte invulling. Er zal geen procedure herbegrenzing EHS nodig zijn.
Uit deze passages moet volgens de rechtbank, met eisers, worden afgeleid dat de planwetgever met het bepaalde in artikel 4.1, onder a, van de planregels het oog heeft gehad op bescherming van de aan het projectgebied in het kader van de Ecologische hoofdstructuur (verder EHS) en NNN toegekende natuurlijke en landschappelijke waarden. In het laatste citaat wordt in dat verband expliciet benoemd dat voor het perceel gelegen naast het deelgebied waar de watercompensatie is voorzien in het kader van de EHS de natuurbeheertypen N15.01 Duinbos en N04.02 Zoete Plas zijn aangewezen. Tussen partijen is verder niet in geschil dat het projectgebied op grond van artikel 2.11, eerste lid, van de Omgevingsverordening Zuid-Holland is aangewezen als onderdeel van het NNN. Blijkens de bij het natuurbeheerplan als bedoeld in artikel 7.60, eerste lid, van de Omgevingsverordening behorende beheertypekaart zijn aan het projectgebied de beheertypen “Haagbeuken- en essenbos” en “Kruiden- en faunarijk grasland” toegekend. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het kappen van de bomen binnen het projectgebied dat valt onder de bestemming “Groen-Landgoed” onmiskenbaar tot een significante aantasting van de aan die gronden in het kader van de ESH en NNN toegekende waarden, welke blijkens de bedoeling van de planwetgever met artikel 4.1, onder a, van de planregels behouden, hersteld en ontwikkeld dienen te worden. Het kappen van de bomen is daarom een gebruik dat in strijd is met het expliciete gebruiksverbod in artikel 4.3 van de planregels. Gelet hierop is het verwijderen van de bomen niet verenigbaar met het doel waarvoor de grond volgens de bestemming “Groen-landschap” is bestemd.
De rechtbank volgt het college en vergunninghoudster niet in de stelling dat het bestemmingplan gelet artikel 1.38 van de planregels juist ten doel heeft om groenvoorzieningen, anders dan een natuurgebied of stedelijke groene hoofdstructuur te realiseren en dat de kap en de herplant daarin voorziet en daarom in overeenstemming is met de landschappelijke waarden en het doel van het bestemmingplan. Dat volgens dat artikel onder groenvoorziening moet worden verstaan “groen niet behorende tot natuurgebied of stedelijke groene hoofdstructuur” neemt niet weg dat, gelet op het specifieke gebruiksverbod van artikel 4.3 van de planregels, realisering van een groenvoorziening die gepaard gaat met de kap van bomen welke in strijd is met de in artikel 4.1, onder a, van de planregels genoemde waarden, waarvan hier sprake is, gebruik oplevert dat in strijd is met het doel van de bestemming “Groen-Landgoed”. De rechtbank verwijst naar hetgeen onder 4.4. is overwogen.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt verder noch uit de geciteerde passages, noch overigens uit de toelichting op het bestemmingsplan dat de planwetgever met de in artikel 4.1 van de planregels opgenomen bestemming “Groen-landgoed” het doel nastreefde om de gronden te ontwikkelen tot een landgoed met het voor een landgoed kenmerkende natuurtype Park- en Stinzebos in de stijl van Zochter, zoals het college stelt. Evenmin blijkt dat de planwetgever herplant overeenkomstig dit natuurbeheertype, dan wel enig ander natuurbeheertype, heeft beoordeeld en in overeenstemming met de aan het gebied in het kader van de ESH en NNN toegekende natuurlijke en landschappelijke waarden heeft geacht. Uit het laatste citaat uit de toelichting blijkt immers dat het antwoord op de vraag of de vervanging binnen de EHS van het biotoop productiebos door een ander type biotoop de natuurlijke waarden en kenmerken van het gebied kan verhogen volgens de planwetgever afhangt van de exacte invulling. Uit het herplantplan blijkt ook niet dat is onderzocht en onderbouwd of en zo ja in welk opzicht de daarin voorgestelde herplant bijdraagt aan behoud, herstel of ontwikkeling van de aan het projectgebied in het kader van ESH en NNN toegekende natuurwaarden.
De rechtbank volgt het college evenmin in de stelling dat de bomenkap verenigbaar is met artikel 4.1., sub a, van de planregels, omdat de bomen de verhoogde grondwaterstand als gevolg van de aanleg van de Tweede watertoevoer niet zouden overleven en daarom verwijderd moeten worden. Ook al zou dit zo zijn, dan nog blijft overeind dat verwijdering van de bomen een significante aantasting betekent van de aan die gronden in het kader van de ESH en NNN toegekende natuurwaarden en derhalve strijdig is met het specifieke gebruiksverbod van artikel 4.3 van de planregels. Het betoog van het college dat met het positief weigeringsbesluit van 29 april 2025 vaststaat dat de aanleg van de tweede watertoevoer - waarvan de bomenkap deel uitmaakt - in overeenstemming is met artikel 4.1, sub a, van de planregels houdt naar het oordeel van de rechtbank ook geen stand. Nog daargelaten dat tegen dat besluit bezwaar is ingesteld en dat besluit nog geen formele rechtskracht heeft, wordt in dat besluit niet expliciet besloten en onderbouwd dat en waarom de gevraagde bomenkap, in weerwil van de uitspraak van de Voorzieningenrechter van 13 oktober 2023, in overeenstemming is met artikel 4.1, sub a, van de planregels. Evenmin wordt in dat besluit een standpunt ingenomen over de vraag of een aanlegvergunning nodig is. Gelet op het bepaalde in artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo is het aan de rechtbank om daarover in onderhavige beroepszaken een oordeel te geven.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevraagde kap van de bomen niet verenigbaar is met het doel van de bestemming “Groen-Landgoed”, zodat het college zich niet kan beroepen op de uitzondering van artikel 4.4, lid b, sub 2, van het bestemmingsplan. Dat betekent dat er op grond van artikel 4.4, lid a, sub 4 een aanlegvergunning nodig is voor het verwijderen van bomen binnen die bestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Omdat het om onlosmakelijk verbonden activiteiten gaat in de zin van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo, had tegelijk met de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo voor de kap van de bomen binnen de bestemming “Groen-Landgoed’ tevens een aanvraag om een aanlegvergunning als bedoeld in in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo moeten worden gedaan. Het college had vergunninghoudster met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) daarom de gelegenheid moeten bieden om de aanvraag in die zin aan te vullen, dat deze tevens betrekking heeft op de activiteit, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo en, indien aanvulling zou zijn uitgebleven, de aanvraag wegens strijd met artikel 2.7, eerste lid, buiten behandeling dienen te stellen. Door dit na te laten en toch op de aanvraag te beslissen heeft het college gehandeld in strijd met artikel 4:5 van de Awb in samenhang gelezen met artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo. Het bestreden besluit moet om die reden worden vernietigd. Het college zal vergunninghoudster alsnog in de gelegenheid moeten stellen om de aanvraag in die zin aan te vullen. Indien vergunninghoudster dat doet zal het college met inachtneming van de beoordelingsregels in artikel 4.4, lid c, van de planregels en het bepaalde in artikel 2.11 van de Wabo moeten beslissen of een aanlegvergunning al dan niet kan worden verleend.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het verzoek van het college toe te wijzen om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat vergunninghoudster onder de Omgevingswet niet langer verplicht is om bij een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit gelijktijdig een aanlegactiviteit aan te vragen en dit nieuwe recht ook van toepassing zou zijn bij en beslissing op een nieuwe aanvraag om een kapvergunning. Nu op onderhavige aanvraag en het bestreden besluit op grond van het overgangsrecht in de Invoeringswet Omgevingswet de Wabo van toepassing is en er geen sprake is van een nieuwe aanvraag komt dit verzoek erop neer dat de rechtbank een niet toepasselijk rechtsregime als beoordelingskader hanteert. Gelet hierop ziet de rechtbank geen ruimte om aan dit verzoek te voldoen.
Verzoek om schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
5. Bomenstichting Den Haag heeft om schadevergoeding verzocht vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Volgens vaste rechtspraak mag de behandeling van zaken als deze, met een bezwaar- en een beroepsprocedure, maximaal twee jaar in beslag mag nemen. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk.
De redelijke termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. Het bezwaarschrift tegen het besluit van 19 december 2022 is op 29 januari 2023 door het college ontvangen. Op 2 augustus 2023 heeft het college op het bezwaarschrift beslist. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 25 augustus 2026. De behandeling heeft (afgerond naar boven) in totaal drie jaar en zeven maanden geduurd. De redelijke termijn is dus met één jaar en zeven maanden overschreden. De schadevergoeding bedraagt € 500,- per overschrijding van een half jaar, naar boven afgerond. Bomenstichting Den Haag heeft dus recht op een schadevergoeding van € 2.000,-.
De overschrijding van de redelijke termijn is voor drie dagen, afgerond naar boven één maand, toe te rekenen aan het college en voor het grootste deel, één jaar en zes maanden, toe te rekenen aan de rechtbank. De rechtbank zal de Staat daarom veroordelen tot betaling van de gehele schadevergoeding.
Conclusie en gevolgen
6. Gelet op vorenoverwogene zijn de beroepen gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.
7. De rechtbank veroordeelt het college in de door eiseres 1 gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 2.721,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke reactie en 0,5 punt voor het bijwonen van een nadere zitting anders dan na tussenuitspraak, met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt verder dat het college aan eisers het door hun betaalde griffierecht vergoedt.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- gelast verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres 1 tot een bedrag van € 1.814 2.721,-;
- draagt verweerder op het door eiseres 1 betaalde griffierecht van € 365,- aan haar te vergoeden;
- draagt verweerder op het door eiseres 2 betaalde griffierecht van € 184,- aan haar te vergoeden;
- draagt verweerder op het door eiseres 3 betaalde griffierecht van € 365,- aan haar te vergoeden;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn aan Bomenstichting Den Haag tot een bedrag van € 2.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2026.
Deze hersteluitspraak vervangt de inhoud van de uitspraak van 25 augustus 2026. De uitspraakdatum blijft ongewijzigd. De hersteluitspraak is in het openbaar gedaan, ondertekend en bekend gemaakt op 7 september 2026.
Een afschrift van deze hersteluitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE: WET- EN REGELGEVING
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald.
Op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen, een zodanige bepaling als een verbod om een project uit te voeren zonder omgevingsvergunning, voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat.
Op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning, onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid, er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project.
Artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, waaromtrent regels zijn gesteld in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit, de omgevingsvergunning wordt geweigerd indien het werk of de werkzaamheid daarmee in strijd is of in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. Indien sprake is van strijd met deze regels wordt de aanvraag op grond van het tweede lid van artikel 2.11 van de Wabo mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Op grond van artikel 2.18 van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.
Algemene plaatselijke verordening (APV)
Op grond van artikel 2:87, eerste lid, van de APV is het verboden een houtopstand zonder vergunning of, indien de houtopstand is vermeld op de lijst van monumentale bomen zonder ontheffing, van het bevoegd gezag te vellen of te doen vellen.
Op grond van artikel 2:88, eerste lid, van de APV kan het bevoegd gezag de vergunning of ontheffing, als bedoeld in artikel 2:87, eerste lid, weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van:
- natuur-, educatieve en milieuwaarden;
- belevings- en gebruikswaarden.
Bestemmingsplan “Molenvlietpark e.o.”
Op grond van artikel 4.1 van het bestemmingsplan zijn de voor “Groen – Landgoed” aangewezen gronden bestemd voor:
a. behoud, herstel en ontwikkeling van cultuur-historische, ecologische waarden en landschappelijke waarden;
b. maatschappelijke doeleinden en kantoren;
c. groenvoorzieningen;
d. plantsoenen;
e. water;
één en ander met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, fiets- en voetpaden, wegen, objecten van beeldende kunst, water, oeververbindingen, parkeergelegenheid, nutsvoorzieningen, waterstaatswerken en overige voorzieningen.
Op grond van artikel 4.3 van het bestemmingsplan wordt in ieder geval tot gebruik, strijdig met deze bestemming, gerekend het gebruiken of laten gebruiken van deze gronden op een wijze of tot een doel, strijdig met het belang van de in lid 1 (lees: artikel 4.1), sub a, bedoelde waarden.
Artikel 4.4 van het bestemmingsplan luidt als volgt:
a. Het is verboden op of in de voor 'Groen - Landgoed' bestemde gronden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag (aanlegvergunning) de hieronder te noemen werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
1. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen, egaliseren, alsmede
2. het scheuren van grasland;
3. het aanleggen of verharden van wegen, paden, parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
4. het verwijderen van bomen of andere opgaande beplanting, anders dan bij wijze van verzorging van de aanwezige houtopstand, voor zover de Boswet of op die wet gebaseerde regelingen niet van toepassing zijn;
5. de aanleg van oeverbeschoeiingen, kaden of aanlegplaatsen;
6. de aanleg van dijken of andere taluds of de vergraving of ontgraving van reeds bestaande dijken of taluds;
7. de aanleg van waterlopen of de vergraving, verruiming of demping van reeds bestaande waterlopen;
8. de aanleg van ondergrondse constructies, installaties of apparatuur, behoudens indien deze werken en werkzaamheden zijn aan te merken als een normaal bestanddeel van een doelmatige bedrijfsvoering;
b. De onder a genoemde verboden gelden niet:
1. indien en voor zover de onder a genoemde werken en werkzaamheden noodzakelijk zijn in verband het normale beheer of onderhoud van de gronden;
2. indien en voor zover deze vorm van gebruik van de grond verenigbaar is met het doel waarvoor de betreffende grond volgens het plan is bestemd;
3. ten aanzien van werken en werkzaamheden die dienen ter instandhouding of voltooiing van werken die op het moment van de tervisielegging van het ontwerpplan reeds bestaan of in uitvoering zijn genomen, dan wel vergund zijn.
c. De werken en werkzaamheden als bedoeld onder a zijn slechts toelaatbaar, indien en voor zover deze:
1. geen ingrijpende beletselen teweegbrengen voor een doelmatig gebruik overeenkomstig de bestemming;
2. geen neveneffecten teweegbrengen, die de doelmatigheid van de bestemming van de gronden elders in het plangebied ingrijpend verstoren.
Op grond van artikel 12.1 zijn de voor 'Water' aangewezen gronden bestemd voor:
a. (aanleg)steigers;
b. oevers;
c. vaarwegen;
d. water;
e. waterberging;
f. waterkering;
g. waterwegen ten behoeve van verkeer over water;
h. natte ecologische zones;
en ter plaatse van de functieaanduiding:
i. 'brug', tevens voor een brug;
één en ander met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, fiets- en voetpaden, oeververbindingen, groenvoorzieningen, objecten van beeldende kunst, waterstaatswerken en overige voorzieningen.
Op grond van artikel 12.4.1 is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het aanleggen) op en/of in de met de bestemming 'Water' aangeduide gronden de onderstaande werken en werkzaamheden uit te voeren.
a. het aanleggen en verharden van wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
b. het verlagen van de bodem en het afgraven, ophogen en egaliseren van de gronden;
c. het aanleggen en dempen van watergangen, sloten, weidegreppels en andere waterlopen;
d. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
e. werken of werkzaamheden die wijziging van de waterhuishouding of waterstand beogen of tot gevolg hebben, zoals uitdiepen of draineren;
f. het onttrekken van grondwater, anders dan ten behoeve van de veedrenking;
g. het uitvoeren van heiwerken of het op een andere wijze indrijven van voorwerpen in de bodem.
Omgevingsverordening Zuid-Holland & Natuurbeheerplan Zud-Holland 2023
Op grond van artikel 2.11, eerste lid, van de Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn de gebieden die het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (NNN) vormen de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II bij de Omgevingsverordening. Het projectgebied is aangewezen als onderdeel van het NNN.
Op grond van artikel 7.60, eerste lid, van en bijlage IX, onder D, bij de Omgevingsverordening zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN in het Natuurbeheerplan Zuid-Holland 2023 omschreven. Blijkens de bij het Natuurbeheerplan behorende Beheertypenkaart zijn aan het projectgebied de beheertypen ‘Haagbeuken- en essenbos’ en ‘Kruiden- en faunarijk grasland’ toegekend.