RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/709101 / JE RK 26-1233
Datum uitspraak: 31 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter
Afwijzing van de ondertoezichtstelling en afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
'sGravenhage,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. R.W. de Gruijl uit Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met waarnemend advocaat, mr. V. de Roo;
- de moeder;
- [naam 1] namens de Raad;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] is niet op het kindgesprek verschenen.
2. De feiten
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun vader en hebben gedurende een periode bij een steungezin verbleven.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd.
Er bestaan al langere tijd zorgen over de kinderen, omdat de kinderen opgroeien in een onvoldoende voorspelbare en veilige omgeving. Dit heeft met name te maken met de beschikbaarheid en het middelengebruik van de ouders. In het verleden hebben meermaals incidenten plaatsgevonden, waarvan het meest recente in april 2026, waardoor de kinderen in een steungezin zijn geplaatst en op momenten contact hebben met de ouders. Gezien wordt dat de kinderen zich over het algemeen goed ontwikkelen, maar zij vertonen wel aanpassingsgedrag en maken zich zorgen om hun ouders, maar met name om de vader. Er zijn verschillende hulpverleningsinstanties betrokken, maar volgens de Raad is dit niet afdoende. De ouders hebben ondersteuning vanuit de Brug, maar de Raad is van mening dat de Brijder meer intensieve hulpverlening kan bieden bij verslavingsproblematiek. De Raad vindt het belangrijk dat er een jeugdbeschermer betrokken raakt om regie te voeren en de juiste hulpverlening in te zetten voor zowel de ouders als de kinderen. Daarnaast is het belangrijk dat een duidelijk plan wordt gemaakt over hoe gefaseerd terug te werken naar een plaatsing bij de vader.
Ten aanzien van het verweer van de advocaat heeft de Raad aangegeven dat het wenselijk is als de Raad de stukken van de Ambulante Spoedhulp (ASH) ontvangt, zodat zij contact kunnen opnemen met ASH over de stand van zaken. Indien de ondertoezichtstelling wordt toegewezen, kan de Raad akkoord gaan met van het verzoek tot uithuisplaatsing, nu uit de meest recente informatie blijkt dat de kinderen op dit moment bij de vader verblijven.
4. De standpunten
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad.
Door en namens de vader is primair verzocht om afwijzing van het verzoek. De advocaat heeft daartoe naar voren gebracht dat de vader erkent dat de kinderen een belast verleden hebben, maar niet zodanig dat zij daar nu nadeel van ondervinden. [minderjarige 1] doet het bovengemiddeld goed op school en [minderjarige 2] is vrolijk en doet het ook goed op school. De kinderen hebben een periode bij het steungezin verbleven, maar inmiddels verblijven de kinderen alweer twee weken bij de vader. Zij zijn nu op vakantie; dat verloopt goed en de kinderen komen tot rust. De rest van de zomervakantie zullen de kinderen bij de vader verblijven en 2/3 nachten per week bij de oma moederszijde (waar de moeder ook woont). Na de zomervakantie zullen de kinderen weer deels naar het steungezin gaan, omdat de oma moederszijde te ver van school woont. Er zijn verschillende vormen van hulpverlening betrokken, waaronder het Jeugdteam, ActiVite en komende dinsdag vindt er een intakegesprek plaats met ASH. Ook wordt er gezocht naar nieuwe huishoudelijke hulp. Verder is de vader clean, komt hij afspraken na, is hij actief in herstel en wordt hij hierin ondersteund door de Brug. Nu voornoemde hulpverlening al in een vrijwillig kader is opgestart en vader bereid is daaraan mee te werken, bestaat er geen meerwaarde voor een ondertoezichtstelling (en daarmee ook niet voor een machtiging uithuisplaatsing). Subsidiair wordt verzocht om, gelet op de recente ontwikkelingen, het verzoek aan te houden voor de duur van drie maanden, zodat dan bezien kan worden wat dan de stand van zaken is.
De vader heeft zelf aangegeven dat de aanmelding bij ASH via het Sociaal Jeugdteam is gegaan en dat dinsdag om 15:00 uur de intake zal plaatsvinden. Indien zij de zaak aannemen, kunnen zij direct bij het gezin aan de slag.
De moeder heeft aangegeven dat zij het belangrijk vindt dat de kinderen bij de vader verblijven. Mocht een ondertoezichtstelling worden toegewezen dan zal de moeder meewerken, ondanks dat zij geen vertrouwen heeft in hulpverleningsinstanties.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat niet aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing is voldaan en zal het verzoek daarom afwijzen. De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
De kinderrechter ziet dat de kinderen in het verleden veel hebben meegemaakt en dat hun opvoeding niet altijd even voorspelbaar en veilig is (geweest). De ouders kampen beiden met verslavingsproblematiek en zijn daardoor niet altijd beschikbaar om voor de kinderen te zorgen en in hun belang te handelen. Dit heeft er toe geleid dat de kinderen een aantal maanden geleden een periode bij een steungezin zijn geplaatst. Tegelijkertijd is ter zitting gebleken dat de kinderen inmiddels alweer twee weken bij de vader verblijven en dat dat goed verloopt. Daar komt bij dat er in het vrijwillig kader al verschillende hulpverleningsinstanties betrokken zijn, waaronder ActiVite en de Brug (voor de verslavingsproblematiek), en er een intake gepland staat bij ASH. Verder is gebleken dat de kinderen regelmatig contact hebben met de moeder en dat het steungezin na de zomervakantie weer een deel van de zorg op zich zal nemen. Dit, samen met het feit dat de vader zich bereid heeft verklaard hulpverlening te aanvaarden, maakt dat de kinderrechter op dit moment onvoldoende reden ziet voor een ondertoezichtstelling. Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing overweegt de kinderrecht dat daar nu geen noodzaak voor bestaat, omdat de kinderen bij de vader met gezag verblijven.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst af het verzoek.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026 door mr. E. van Die, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.M.C. Mulders als griffier, en op schrift gesteld op 3 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.