Informele rechtsingang
Beschikking naar aanleiding van de op 9 maart 2026 ingekomen aanvraag via de informele rechtsingang van:
[minderjarige] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
en
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Procedure
De rechtbank heeft op 9 maart 2026 een brief ontvangen van [minderjarige] .
Op 20 april 2026 heeft [minderjarige] in een gesprek met de kinderrechter van deze rechtbank gesproken over deze brief.
Bij brief van 23 april 2026 heeft de rechtbank de ouders ingelicht over het gesprek met [minderjarige] en hen uitgenodigd voor een zitting om hun mening over de wensen van [minderjarige] aan de rechtbank kenbaar te maken. Ook de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) is voor de zitting uitgenodigd.
De zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2026. Hierbij zijn verschenen de moeder en de vader. De Raad is wel behoorlijk opgeroepen, maar niet verschenen op de zitting.
Feiten
- De moeder en de vader zijn gehuwd geweest van [dag 1] 2006 tot [dag 2] 2017.
- Zij zijn de ouders van de nog minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .
- Zij zijn tevens de ouders van de inmiddels meerderjarige [meerderjarige] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 29 januari 2019 zijn [meerderjarige] en [minderjarige] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden. Deze ondertoezichtstelling is bij beschikking van deze rechtbank van 29 januari 2022 laatstelijk verlengd tot 29 juli 2022.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 25 juni 2019 is – met wijziging van het aan de beschikking van deze rechtbank van 6 april 2017 gehechte ouderschapsplan – de zorgregeling met ingang van 1 september 2019 als volgt bepaald:
- Bij beschikking van deze rechtbank van 16 november 2020 is het verzoek van de gecertificeerde instelling tot wijziging van de zorgregeling afgewezen.
Aanvraag
[minderjarige] heeft de kinderrechter gevraagd om de zorgregeling te wijzigen in die zin dat zij voortaan eens per veertien dagen van zaterdag tot zondag bij haar vader is.
Beoordeling
Op grond van de artikelen 1:377g en 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, indien haar blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing nemen over de zorgregeling.
In haar brief en het gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat zij graag meer tijd bij haar moeder zou willen doorbrengen. Zij heeft verteld dat er bij haar vader thuis vaak veel onrust is doordat [minderjarige] en de vader van mening en persoonlijkheid verschillen, en ook door het vele gamen van de vader. Bij haar moeder thuis voelt [minderjarige] zich meer op haar gemak en daarom zou zij voortaan niet om de week voor een week bij haar vader willen zijn, maar een weekend per veertien dagen. Daarbij heeft [minderjarige] aangegeven dat zij het moeilijk vindt om deze wijziging te vragen, omdat zij om haar vader geeft en niet wil dat hij zich verdrietig of afgewezen voelt en ook bang is dat hij boos wordt. Ook heeft zij verteld dat zij haar vader (ten tijde van het gesprek met de rechter) al even niet had gezien, omdat zij ruzie hadden gehad.
De kinderrechter heeft de huidige situatie en de wens van [minderjarige] op de zitting besproken met de ouders. De moeder heeft daarop aangegeven dat zij de wens van [minderjarige] wil volgen en dat het belangrijk is dat er duidelijkheid komt over de zorgregeling, omdat het feit dat de ouders het niet onderling kunnen regelen ook voor onrust zorgt bij [minderjarige] . De vader heeft aangegeven dat hij al tegen [minderjarige] heeft gezegd dat hij het prima vindt om de zorgregeling voortaan vorm te geven op de manier die [minderjarige] wil, maar dat het voor hem niet nodig is om die regeling ook formeel in een beschikking vast te leggen.
Uit dat wat door [minderjarige] en haar ouders is verteld, maakt de kinderrechter op dat [minderjarige] behoefte lijkt te hebben aan het verkrijgen van duidelijkheid over de zorgregeling. Daarin ziet de kinderrechter aanleiding om ambtshalve een beslissing te nemen en dat vast te leggen wat [minderjarige] heeft gevraagd en waarmee de ouders tijdens de zitting hebben ingestemd. Daarbij merkt de kinderrechter op dat het contact tussen [minderjarige] en de vader op dit moment nog moeizaam verloopt en dat dit langzaam moet worden hersteld. In dit verband heeft de kinderrechter de vader in overweging gegeven dat het raadzaam is om daarbij het tempo van [minderjarige] te volgen en aan te sluiten bij haar wensen en behoeften.
Brief voor [minderjarige]
Tot slot vindt de kinderrechter het belangrijk de ouders te laten weten dat aan [minderjarige] gelijktijdig met de beschikking een brief is gestuurd, waarin de beslissing is uitgelegd. In die brief is het volgende opgenomen:
Beste [minderjarige] ,
Je hebt eerder dit jaar een brief geschreven aan de rechtbank en daarna spraken we elkaar. Je hebt duidelijk geschreven en ook verteld hoe het contact met je vader voor jou was en dat je het graag anders wilde. Ik heb je verteld dat ik je ouders zou uitnodigen om over jouw situatie te spreken en dat gesprek is begin juli geweest. Ik vind het belangrijk om je te laten weten wat er is besproken en wat ik heb beslist. Daarom schrijf ik je deze brief.
Ik heb tijdens de zitting met je ouders gesproken over de situatie die er nu is. Je vader vertelde dat er op dat moment nog steeds bijna geen contact tussen hem en jou was. Hij vertelde ook dat hij met jou had gepraat en dat hij jou had laten weten dat hij het prima vindt als je niet meer volgens de regeling bij hem bent en meer bij je moeder zult zijn. Hij heeft ook gezegd dat hij wel graag een rol in je leven wil blijven spelen en je regelmatig wil zien.
Je vader heeft gezegd dat dit wat hem betreft niet formeel hoeft te worden vastgelegd, ook omdat hij bang is dat het dan in de toekomst moeilijker kan worden veranderd. Ik heb met je ouders besproken dat ik denk dat het voor jou wel fijn is als het vastligt. Dan weet je dat het officieel is en dan voel je hopelijk wat meer rust dat de oude regeling niet meer geldt. Dat snapten je ouders en waren ze met me eens. Ook je vader heeft gezegd dat hij snapt dat dit voor jou misschien fijn is.
Ik heb daarom beslist dat de oude regeling wordt vervangen door een regeling waarbij je een weekend per veertien dagen bij je vader bent, zoals je in je brief schreef. Ik heb daarbij bepaald dat de duur en het begin en het einde van dat weekend in onderling overleg moet worden afgesproken. Ik heb met je ouders besproken dat het contact tussen jou en je vader eerst weer langzaam moet worden opgebouwd. Het zou mooi zijn als dat inmiddels al een beetje is gelukt en dat je misschien al wel dit najaar één keer in de twee weken een weekend bij je vader kan zijn.
Bedankt voor ons prettige gesprek. Ik wens je een fijne zomer verder en vast veel succes volgend schooljaar. Ik wil je als laatste nog laten weten dat ik de inhoud van deze brief weer in de beslissing voor je ouders heb gezet, zodat ze weten wat ik jou heb geschreven.
Met vriendelijke groet,
de kinderrechter
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 25 juni 2019 – :
*
bepaalt ambtshalve dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , een weekend per veertien dagen bij de vader zal zijn, waarbij de invulling van het weekend voor wat betreft duur en aanvangs- en eindtijdstip in onderling overleg zal worden bepaald;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 31 juli 2026.