Paspoortwet (artikel 36)
Beschikking op het op 4 juni 2026 ingekomen verzoek van:
de gecertificeerde instelling, Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank onbekend adres.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 28 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld, gecombineerd met de verzoeken met zaaknummers C/09/707405 JE RK 26-1081, C/09/706765 JE RK 26-1012 en C/09/706758 JE RK 26-1010. Op voornoemde verzoeken is bij afzonderlijke beschikking van 31 juli 2026 beslist.
Op de zitting is verschenen: [naam] , namens Jeugdbescherming West Haaglanden (hierna: Jbw). De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Verzoek en verweer
De gecertificeerde instelling verzoekt de rechtbank vervangende toestemming te verlenen, welke de toestemming van de moeder vervangt, zoals bedoeld in artikel 36, tweede lid, Paspoortwet, voor het verkrijgen van een reisdocument ten behoeve van de na te melden minderjarige en de beschikking uitvoer bij voorraad te verklaren.
De moeder heeft geen verweer gevoerd.
Feiten
Beoordeling
- De moeder is van rechtswege alleen belast met het ouderlijk gezag over:
- - [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] .
- Bij beschikking van 21 maart 2025 van deze rechtbank is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling. Bij beschikking van 6 februari 2026 van deze rechtbank is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. Bij beschikking van 24 maart 2026 van deze rechtbank zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing laatstelijk verlengd tot 28 maart 2027. [minderjarige] verblijft thans bij pleegouders.
Ter onderbouwing van haar verzoek voert Jbw het volgende aan. [minderjarige] verblijft sinds 27 januari 2026 bij de pleegouders en staat sinds 24 april 2026 op hun adres ingeschreven. Praktische zaken rondom haar verzorging, begeleiding en administratieve positie moeten worden geregeld. Een geldig identiteitsdocument is hierin essentieel. Daarnaast willen de pleegouders met [minderjarige] op vakantie en is ook hiervoor een geldig reisdocument nodig. De moeder geeft aan dat [minderjarige] al een paspoort heeft, maar dat zij het paspoort niet zal afgeven aan Jbw of de pleegouders. Ook heeft zij expliciet toestemming geweigerd voor het aanvragen van een nieuw paspoort.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 36, eerste lid, Paspoortwet kan bij de aanvraag ten behoeve van een minderjarige die onder toezicht is gesteld en jonger is dan zestien jaar, indien één of beide personen die het gezag over de minderjarige uitoefenen, weigeren een verklaring van toestemming als bedoeld in artikel 34, eerste lid, Paspoortwet, af te geven, in plaats van die verklaring een verklaring van toestemming van de bevoegde rechter worden overgelegd. Blijkens het tweede lid van eerstgenoemd artikel kan een verklaring van toestemming worden afgegeven op verzoek van een stichting dan wel een gecertificeerde instelling, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg, thans analoog art. 1.1 Jeugdwet. De rechter geeft een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De rechtbank zal, nu de beproeving van een vergelijk tussen partijen niet mogelijk is gebleken, de door de gecertificeerde instelling verzochte vervangende toestemming op grond van artikel 36, tweede lid, Paspoortwet beoordelen. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat zij beschikt over een geldig identiteitsdocument. De rechtbank zal het verzoek tot vervangende toestemming voor een paspoort van [minderjarige] daarom toewijzen.
Beslissing
De rechtbank:
verleent toestemming aan Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, – welke toestemming die van de moeder vervangt – ten behoeve van de aanvraag van een reisdocument van de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 juli 2026.