RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/709802 / JE RK 26-1317
Datum uitspraak: 31 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
'sGravenhage,
hierna te noemen: de Raad,
over
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
- [minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 2],
- [minderjarige 3]geboren op [geboortedatum 3] 2018 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 3],
hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. Drenth te Den Haag,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats],
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 juli 2026;
- de berichten van de Raad met bijlagen van 27 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
de moeder met haar advocaat
[naam 1] namens de Raad
[naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. Zij hebben via een digitale verbinding een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld.
2. De feiten
[minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn erkend door de vader.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3].
[minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven in een gezinshuis.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 mei 2026 [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld tot 12 augustus 2026 en voor dezelfde duur een machtiging verleend om [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 12 augustus 2026.
3. Het verzoek en de gronden
De Raad verzoekt [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd en ter zitting nader toegelicht. De Raad maakt zich zorgen over de ontwikkeling van de kinderen, omdat zij lange tijd zijn opgegroeid in een instabiele en onveilige opvoedomgeving, waarbij sprake is geweest van huiselijk geweld en middelengebruik door hun ouders. Sinds de relatiebreuk hebben de kinderen nog maar af en toe contact met de vader gehad, wat niet goed is verlopen. De opvoedsituatie bij de moeder was onduidelijk en instabiel als gevolg van haar verslavingsproblematiek. Daarnaast was er sprake van een dreigende situatie rondom de vader van hun halfbroertje, waarbij de moeder haar angsten deelde met [minderjarige 1]. De kinderen hebben eind 2024 een periode elders verbleven toen hun moeder was opgenomen in een afkickkliniek. Dit hebben zij als ingrijpend ervaren. De moeder heeft dit jaar een terugval gehad in cocaïnegebruik. De kinderen zijn in het vrijwillig kader tijdelijk opgevangen in voor hen bekende gezinnen. Er ontstond onduidelijkheid op school over wie de kinderen kwam halen en waar zij wanneer zouden verblijven. De kinderen hadden hier dusdanig last van dat zij niet meer tot leren kwamen. Sinds 12 mei 2026 verblijven de kinderen in een gezinshuis en daar ontwikkelen zij zich goed. Gezien wordt dat [minderjarige 1] een verzorgende rol op zich neemt ten aanzien van haar broertjes en moeder. Zij lijkt veelal te handelen vanuit de wensen en behoeften van haar moeder. [minderjarige 1] wil haar vader nog niet zien. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ontwikkelen zich goed in het gezinshuis. [minderjarige 2] is soms nog wat teruggetrokken. [minderjarige 3] zal teruggezet worden naar groep drie, omdat hij nog erg jong is in zijn ontwikkeling. Het is positief dat de vader en de moeder achter dit besluit staan. In het gezinshuis zal de onderlinge dynamiek tussen de kinderen verder geobserveerd worden om te kunnen bepalen wat de kinderen in hun eigen ontwikkeling nodig hebben. De vader werkt aan zichzelf en heeft hulp gezocht. De moeder is op eigen kracht clean geworden en wekt de indruk dat zij geen intensieve hulp voor haar verslaving meer nodig meent te hebben. Zij wisselt per dag in haar visie over haar eigen situatie en die van de kinderen. De moeder zal een traject voor haar verslaving bij [zorginstantie] en een traject bij de GGZ voor traumabehandeling moeten doorlopen, voordat zij weer in staat is om er goed voor de kinderen te kunnen zijn. Positief is dat de moeder inziet dat zij de kinderen niet meer kon bieden wat zij nodig hebben en dat zij achter de plaatsing bij het gezinshuis staat. Daarnaast staat zij open voor opvoedondersteuning. Beide ouders staan ervoor open om urinetesten te laten afnemen. Tussen de vader en de moeder is nauwelijks sprake van vertrouwen naar en in elkaar. Het is noodzakelijk dat de jeugdbeschermer regie blijft voeren ten aanzien van de verblijfplek van de kinderen, de mogelijke inzet van hulp voor de kinderen en het contactherstel met de vader. De vader is eerder een procedure gestart om omgang met zijn kinderen te krijgen; de Raad acht het passender dat de jeugdbeschermer in het kader van de ondertoezichtstelling hierover nadenkt dan dat de Raad een onderzoek naar gezag en omgang doet.
4. De standpunten van de belanghebbenden
Door en namens de moeder is gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter. Zij zou het liefst zelf voor de kinderen zorgen en het gemis van de kinderen is zwaar. Tegelijkertijd ziet de moeder in dat het nodig is dat zij eerst aan zichzelf werkt en is zij blij dat zij deze kans krijgt. De moeder heeft benadrukt dat zij hard aan zichzelf werkt. Er zijn meerdere hulpverleners bij haar betrokken voor haar persoonlijke problematiek en zij is nu twee maanden clean. De moeder heeft zich aangemeld voor therapie bij GGZ [regio], dat is inmiddels van start gegaan, en voor verslavingszorg bij [zorginstantie]. De moeder staat achter het Minnesota-model en is bereid zich daar aan te committeren. Zij is blij dat de hulpverlening nu op gang komt en dat zowel zijzelf als de kinderen hulp krijgen. De moeder heeft het initiatief genomen om ervoor te zorgen dat alle kinderen bij elkaar geplaatst zijn en zij is blij dat dit is gelukt. Zij maakt zich wel grote zorgen over de financiële consequenties van de uithuisplaatsing, die er in het uiterste geval toe kunnen leiden dat zij haar woning kwijt zal raken. De moeder zou graag willen dat de gecertificeerde instelling haar helpt bij het behouden van haar woning met het oog op een thuisplaatsing van de kinderen. Zij zoekt ook een ander woning, zodat zij met de kinderen een nieuwe start kan maken. Zij zegt concreet een woning op het oog te hebben in Zegveld.
De vader stemt in met het verzochte. Hij heeft benadrukt dat hij het erg belangrijk vindt dat de kinderen samen geplaatst zijn. De vader hoopt dat de moeder, in het belang van de kinderen, haar leven op de rit krijgt. Hij wil graag weten welke voorwaarden er aan een thuisplaatsing gesteld worden. De vader staat open voor alle hulpverlening en werkt aan zichzelf. Hij wil meer contact met de kinderen en zou graag om het weekend of meer de zorg voor hen willen dragen. De vader probeert er al lange tijd voor te zorgen dat hij contact met zijn kinderen heeft.
De gecertificeerde instelling staat achter het verzochte. De samenwerking met beide ouders is positief verlopen en zij hebben (emotionele) toestemming gegeven voor het verblijf van de kinderen in het gezinshuis. De kinderen zijn de afgelopen periode gestabiliseerd in het gezinshuis en kunnen nu meer kind zijn. Er zijn nog wel veel zorgen over de kinderen, met name als zij in de thuissituatie zouden verblijven. De komende periode is het belangrijk dat er gekeken wordt wat de kinderen en hun ouders nodig hebben. Er moeten bodemeisen worden opgesteld voor een thuisplaatsing en de moeder moet op verschillende gebieden aan zichzelf werken. De financieringskwestie van de woning van de moeder is ingewikkeld en de gecertificeerde instelling zal proberen om haar daarin te ondersteunen. Met de vader zal worden gekeken hoe de omgang met de kinderen vormgegeven kan worden. Het eerste beeldbelmoment is positief verlopen.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Uit de stukken en de toelichtingen ter zitting leidt de kinderrechter af dat de ontwikkeling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ernstig wordt bedreigd. Zij zijn opgegroeid in een instabiele opvoedsituatie, waarbij sprake was van middelengebruik door hun ouders en huiselijk geweld. De moeder is als gevolg van haar persoonlijke problematiek onvoldoende in staat geweest om de kinderen stabiliteit, structuur en voorspelbaarheid te bieden; zij was zowel fysiek als emotioneel onvoldoende beschikbaar voor [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Dit lijkt niet zozeer het gevolg te zijn van onwil, maar van onmacht. De vader en de moeder hebben onvoldoende vertrouwen in elkaar en zij zijn wellicht voldoende bereid, maar onvoldoende in staat om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen in vrijwillig kader weg te nemen. Een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar is passend en geboden, in de eerste plaats gelet op het hulpverleningstraject dat beide ouders nog moeten doorlopen om aan zichzelf te werken, maar ook gezien de tijd die voor de kinderen nodig is om het vertrouwen te hervinden. Het is nodig dat er een jeugdbeschermer betrokken blijft die de ontwikkeling van de kinderen monitort en regie kan voeren over de voor de kinderen, de vader en de moeder noodzakelijke hulpverlening. Daarnaast is het van belang dat de gecertificeerde instelling de vader en de kinderen begeleidt bij een voor de kinderen aanvaardbare en prettige wijze van contactherstel.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht voor de verzochte duur van een jaar.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. De moeder is als gevolg van haar persoonlijke problematiek (nog) onvoldoende in staat om de kinderen te bieden wat zij nodig hebben. De opvoeding en verzorging van de kinderen vergt meer dan de ouders -ieder voor zich- kunnen bieden, en daarom is het in het belang van die opvoeding en verzorging noodzakelijk dat de kinderen elders verblijven. Beide ouders staan achter de plaatsing in het gezinshuis. In het gezinshuis krijgen de kinderen de noodzakelijke structuur en stabiliteit; zij komen tot rust en kunnen weer kind zijn. Daarnaast wordt in het gezinshuis gekeken naar het gedrag en de onderlinge dynamiek van de kinderen, opdat bepaald kan worden of zij hulpverlening nodig hebben. De gecertificeerde instelling zal moeten onderzoeken welke bodemeisen aan een thuisplaatsing bij de moeder gesteld moeten worden en het moet duidelijk zijn voor zowel de moeder als de vader dat aan die eisen moet zijn voldaan voordat aan terugplaatsing kan worden gewerkt, ook om het risico op een terugval in middelengebruik en teleurstelling van de kinderen zoveel mogelijk te beperken. De kinderrechter onderschrijft het uitgangspunt van de Raad dat voor de uithuisplaatsing, gelet op het toewerken naar thuisplaatsing, een termijn van zes maanden passend en geboden is en zal dit verzoek voor die termijn toewijzen.
De beslissing tot ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 31 juli 2026 tot 31 juli 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 31 juli 2026 tot 31 januari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026 door mr. M.H. Rochat, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Klijn als griffier. De schriftelijke uitwerking daarvan is vastgesteld op 21 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.