ECLI:NL:RBDHA:2026:24836

ECLI:NL:RBDHA:2026:24836

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer NL26.21881 en NL26.21882
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Dublin buiten zitting, Zweden. De rechtbank is van oordeel dat de minister ten opzichte van Zweden in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Zweden niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat eiser na overdracht een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Eiser is niet in zijn bewijslast geslaagd. De rechtbank komt niet toe aan een beoordeling of eiser bij overdracht aan Zweden een reëel risico loopt op indirect refoulement. Binnen de kaders van een Dublinprocedure kan niet beoordeeld worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, zolang een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de betreffende lidstaat sprake is van systeemfouten. Beroep kennelijk ongegrond.

Uitspraak

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1999, van Somalische nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.

Bij besluit van 17 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

De rechtbank doet op grond van artikelen 8:54, eerste lid en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. Ook beoordeelt zij eisers verzoek om een voorlopige voorziening.

3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4. Op deze zaak is het vóór 12 juni 2026 geldende recht van toepassing.

5. Eiser heeft op 26 februari 2026 asiel aangevraagd in Nederland. De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Volgens de minister zijn de autoriteiten van Zweden verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder een verzoek om internationale bescherming in Zweden heeft ingediend. De minister heeft daarom op 19 maart 2026 de autoriteiten van Zweden verzocht op eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, en onder d, van de Dublinverordening. Op 25 maart 2026 hebben de Zweedse autoriteiten dit verzoek aanvaard.

6. Eiser voert aan dat sprake is van een reëel risico op onmenselijke dan wel vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest indien eiser aan Zweden wordt overgedragen. Eiser zal na overdracht aan Zweden worden uitgezet naar Somalië waar hij in detentie zal worden geplaatst en daar wordt gemarteld en mishandeld, aldus eiser.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. De minister mag ten opzichte van Zweden in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met bepalingen van het EU-Handvest, het EVRM en het Vluchtelingenverdrag zullen behandelen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Zweden niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat eiser na overdracht een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. Eiser heeft namelijk niet met concrete aanwijzingen aannemelijk gemaakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. De Afdeling heeft in de uitspraak van 23 juni 2025 geoordeeld dat ten aanzien van Zweden nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

Nu de minister, gelet op het voorgaande, terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zweden, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling of eiser bij overdracht aan Zweden een reëel risico loopt op indirect refoulement. De Afdeling heeft immers in de uitspraak van 12 juni 2024, in navolging van het arrest van het Hof van 30 november 2023, geoordeeld dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement, zolang een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de betreffende lidstaat sprake is van systeemfouten in de zin van het arrest Jawo. Zweden heeft met het claimakkoord gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Als eiser na zijn overdracht aan Zweden problemen ervaart bij de opvang- of asielprocedure, kan hij daarover klagen bij de (hogere) Zweedse autoriteiten dan wel bij het EHRM. De beroepsgrond slaagt niet.

7. Verder voert eiser aan dat overdracht aan Zweden onevenredig hard is. Eiser heeft vernomen dat zijn moeder en zus zijn toegelaten tot Nederland, althans dat zij naar Nederland mogen komen. De minister had op grond hiervan toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.

De rechtbank overweegt in dit verband dat een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in de Dublinverordening. Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De minister maakt terughoudend gebruik van deze bevoegdheid. De minister gebruikt deze bevoegdheid indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.

De rechtbank is van oordeel dat de minister in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming van eiser hier te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening nu eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigd. De niet onderbouwde stelling dat eisers moeder en zus tot Nederland zouden zijn toegelaten, is hiertoe onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk ongegrond.

9. Omdat de rechtbank met deze uitspraak op het beroep beslist, is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak met zaaknummer NL26.21881:

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak met zaaknummer NL26.21882:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.B. de Boer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand